The 250 Most Common Dutch Nouns

Ranked by real-world frequency, with gender and an example sentence. Study all of them free with spaced repetition.

This page lists the 250 most common Dutch nouns, each with its English translation, grammatical gender and an example sentence. It's built for learners who already have some grammar in place but want to lock in the vocabulary that actually turns up in everyday Dutch.

Use it as a reference to check words you meet elsewhere, or work through it systematically with the Vocab Voyage flashcard app, which uses spaced repetition and asks you to type the Dutch word from an English prompt, so the spelling sticks along with the meaning.

Learn These Dutch Nouns Free

Free forever · No card · No password

More Dutch lists: Words Verbs Adjectives Adverbs About learning Dutch Common nounsNeuter nouns

The 250 Most Common Dutch Nouns: the list

# Dutch English Example
1 manc. man De man liep snel naar huis.
2 levenc. life Het leven in de stad is heel druk.
3 tijdc. time Heb je tijd om een kopje koffie te drinken?
4 dagc. day Vandaag is een mooie dag om te wandelen.
5 jaarc. year Dit jaar was erg bijzonder voor ons.
6 vrouwc. woman Mijn vrouw is erg lief.
7 huisc. house Ze woont in een groot huis met een tuin.
8 vaderc. father Mijn vader houdt van vissen.
9 vriendc. friend Hij is mijn beste vriend sinds de basisschool.
10 jongenc. boy Die jongen speelt graag voetbal.
11 keerc. time Dit is de eerste keer dat ik hier ben.
12 moederc. mother Mijn moeder maakt de beste soep.
13 staatc. state De vlag staat hoog in de lucht.
14 geldc. money Hij heeft niet genoeg geld om te kopen.
15 spijtc. regret Ik heb spijt van mijn beslissing.
16 werkc. work Zij heeft veel werk te doen vandaag.
17 handc. hand Hij steekt zijn hand op om te vragen.
18 uurn. hour Het is bijna één uur in de middag.
19 probleemn. problem Het probleem is moeilijk op te lossen.
20 naamc. name Wat is jouw naam?
21 ideec. idea Dat is een leuk idee voor het feest.
22 zaakc. case Dit is een belangrijke zaak voor ons bedrijf.
23 meisjen. girl Het meisje speelt graag in de tuin.
24 autoc. car Zij heeft een nieuwe auto gekocht.
25 paarc. pair Ik heb een paar boeken gelezen deze week.
26 meneerc. mister De meneer helpt ons met de vragen.
27 beetjec. little bit Ik heb een beetje tijd nodig om na te denken.
28 vraagc. question Ik heb een vraag over de les.
29 weekc. week Volgende week gaan we op vakantie.
30 wereldc. world De wereld is een grote en mooie plek.
31 familiec. family Mijn familie is heel belangrijk voor mij.
32 zoonc. son Mijn zoon speelt graag buiten.
33 manierc. way Er is altijd een manier om het op te lossen.
34 geloofc. faith Ik heb veel geloof in hem.
35 politiec. police De politie kwam snel ter plaatse.
36 momentc. moment Wacht een moment, ik ben bijna klaar.
37 agentc. agent De agent hielp de mensen.
38 hoofdc. head Hij heeft een groot hoofd vol ideeën.
39 kansc. chance Er is een grote kans om te winnen als je hard werkt.
40 ordec. order Zorg ervoor dat alles in orde is voordat je begint.
41 kantc. side Aan de andere kant van de straat is een mooi park.
42 broerc. brother Mijn broer speelt graag voetbal.
43 belc. bell De bel gaat als iemand voor de deur staat.
44 vertrouwenc. trust Je moet vertrouwen hebben in jezelf.
45 stadc. city De stad is erg druk in het weekend.
46 plaatsc. place Dit is een mooie plaats om te wonen.
47 pasc. step Ik heb mijn nieuwe pas gekocht en het is heel mooi.
48 kamerc. room Mijn kamer is altijd netjes en opgeruimd.
49 schoolc. school De school begint om acht uur in de ochtend.
50 soortc. type Dit is een bijzondere soort bloem die ik nog nooit heb gezien.
51 hulpc. help Ik heb hulp nodig met mijn huiswerk.
52 plekc. place Dit is mijn favoriete plek om te ontspannen.
53 dokterc. doctor De dokter zei dat ik meer water moet drinken.
54 wapenc. weapon Een wapen is gevaarlijk en moet met voorzichtigheid worden behandeld.
55 pijnc. pain Ik heb pijn in mijn hoofd en wil rust.
56 planc. plan We hebben een goed plan voor het weekend.
57 deurc. door De deur staat open, kom binnen!
58 pakc. suit Ik heb een nieuw pak voor de bruiloft gekocht.
59 landn. country Dit land heeft veel mooie natuur.
60 verhaaln. story Hij vertelde een spannend verhaal over zijn reis.
61 dochterc. daughter Mijn dochter houdt van tekenen en schilderen.
62 woordn. word Dat woord betekent veel voor mij.
63 watern. water Zorg ervoor dat je genoeg water drinkt.
64 fotoc. photo Ik heb een mooie foto van de zee gemaakt.
65 redenc. reason Wat is de reden dat je zo laat bent?
66 babyc. baby De baby slaapt rustig in de wieg.
67 nachtc. night Ik ga slapen na een lange nacht.
68 papac. dad Mijn papa maakt het beste eten.
69 lichaamc. body Een gezond lichaam is belangrijk.
70 mevrouwc. madam mevrouw Jansen is mijn lerares.
71 hartc. heart Hij heeft een groot hart voor dieren.
72 dollarc. dollar Een dollar is nu veel waard.
73 vriendinc. girlfriend Mijn vriendin komt morgen op bezoek.
74 schatc. treasure Zij is mijn grootste schat.
75 schuldc. debt Ik heb geen schuld aan jou.
76 baasc. boss Mijn baas is erg aardig.
77 bedn. bed Ik heb een nieuw bed gekocht.
78 bloedc. blood Hij gaf bloed voor de test.
79 waarheidc. truth De waarheid is soms moeilijk te horen.
80 nieuwsn. news Heb je het nieuws gehoord?
81 oorlogc. war De oorlog heeft veel mensen geraakt.
82 avondc. evening In de avond gaan we samen eten.
83 zorgc. care Hij heeft veel zorg voor zijn familie.
84 geheimc. secret Ze heeft een groot geheim dat niemand weet.
85 nummern. number Kun je me je telefoon nummer geven?
86 mamac. mom Mijn mama maakt de beste soep.
87 telefoonc. telephone Mijn telefoon gaat vaak af tijdens vergaderingen.
88 moordc. murder De detective onderzoekt een moord in de stad.
89 mamc. mom Mijn mam maakt de beste koekjes.
90 gezichtc. face Ze heeft een mooi gezicht met grote ogen.
91 stukn. piece Dit stuk taart is voor jou.
92 gevoeln. feeling Ik heb een goed gevoel over deze beslissing.
93 teamn. team Ons team heeft de wedstrijd gewonnen.
94 restc. rest Na het eten is er altijd nog een beetje rest over.
95 deeln. part Dit is een belangrijk deel van ons project.
96 liefdec. love liefde is belangrijk in elke relatie.
97 baanc. job Ze heeft een nieuwe baan gevonden in de stad.
98 hondc. dog Mijn hond houdt van spelen in het park.
99 buurtc. neighborhood Ik woon in een rustige buurt met veel bomen.
100 kopc. head Ze drinkt haar koffie uit een grote kop.
101 gevalc. case In dat geval moeten we snel handelen.
102 puntc. point Dat is een goed punt om te bespreken.
103 spulc. stuff Ik heb veel spul in mijn tas.
104 mondc. mouth Hij praat met een volle mond vol voedsel.
105 keuzec. choice Je hebt de keuze om te gaan of te blijven.
106 gelukc. luck Ze heeft veel geluk gehad in haar leven.
107 zusc. sister Mijn zus is jarig vandaag.
108 rustc. rest Neem even rust en ontspan.
109 kantoorn. office Hij werkt elke dag in het kantoor.
110 slachtofferc. victim Het slachtoffer kreeg hulp van de politie.
111 jackc. jack Hij draagt een nieuw jack omdat het koud is.
112 informatiec. information Ik heb meer informatie nodig over dit onderwerp.
113 krachtc. strength Ze heeft veel kracht om door te gaan.
114 schipn. ship Het schip vaart naar een verre bestemming.
115 onderzoekn. research Het onderzoek naar de ziekte is nog niet klaar.
116 bewijsn. proof Ze heeft geen bewijs voor haar verhaal.
117 ventc. guy Die vent is altijd vrolijk en vriendelijk.
118 lichtn. light Het licht in de kamer is te fel.
119 koningc. king De koning woont in een groot paleis.
120 advocaatc. lawyer De advocaat helpt mensen met juridische problemen.
121 persoonc. person Elke persoon heeft zijn eigen verhaal.
122 moordenaarc. murderer De moordenaar werd snel gepakt door de politie.
123 papc. porridge De baby eet graag pap met een lepel.
124 haatc. hate Zij voelt haat voor onrechtvaardigheid.
125 lieverdc. dear Hij noemt haar altijd lieverd als hij haar ziet.
126 ziekenhuisn. hospital Hij moet naar het ziekenhuis voor een controle.
127 kapiteinc. captain De kapitein van het schip gaf orders aan de bemanning.
128 antwoordc. answer Ik heb geen goed antwoord op die moeilijke vraag.
129 contactc. contact Zorg ervoor dat je contact met je vrienden houdt.
130 pac. dad Mijn pa helpt me altijd met mijn huiswerk.
131 gevangenisc. prison Hij zit in de gevangenis voor zijn misdaden.
132 gangc. corridor De gang is donker en stil.
133 presidentc. president De president sprak tot het volk tijdens de ceremonie.
134 aardec. earth De aarde draait om de zon.
135 einden. end Aan het einde van de film was iedereen blij.
136 seksc. sex Het boek gaat over liefde en seks.
137 koffiec. coffee Ik drink elke ochtend een kop koffie.
138 plezierc. pleasure Het is altijd plezier om met vrienden te zijn.
139 stapc. step Zet een stap naar de deur.
140 sleutelc. key Waar is mijn sleutel van de auto?
141 relatiec. relationship Ze hebben een goede relatie met elkaar.
142 spelc. game Zij speelt een leuk spel met haar vrienden.
143 grondc. ground De grond is nat na de regen.
144 controlec. control Ik moet een controle doen van mijn huis.
145 geestc. spirit De geest van de oude man is nog steeds hier.
146 pardonc. pardon Excuseer, ik heb een pardon nodig.
147 dienstc. service Hij werkt in de klantenservice dienst.
148 legerc. army Het leger is goed voorbereid op de missie.
149 gebruikc. use Het gebruik van deze tool is eenvoudig.
150 kledingc. clothes Ze draagt altijd mooie kleding naar het werk.
151 feitn. fact Het is een feit dat de aarde rond de zon draait.
152 spoorc. track We volgden het spoor van de trein.
153 straatc. street De straat is druk met verkeer.
154 ongelukc. accident Er was een ernstig ongeluk op de snelweg.
155 luchtc. air De lucht is fris en schoon vandaag.
156 kaartc. card Ik heb een kaart van Nederland op mijn bureau.
157 schatjec. darling Hij noemt zijn hond altijd schatje.
158 toekomstc. future Ik maak plannen voor mijn toekomst.
159 balc. ball De kinderen spelen met een bal in het park.
160 oomc. uncle Mijn oom komt morgen op bezoek.
161 leekc. amateur De leek was erg vriendelijk en behulpzaam.
162 afspraakc. appointment Ik heb een afspraak met de dokter om drie uur.
163 gevaarc. danger Er is gevaar in het verkeer als je niet oplet.
164 bandc. band De band speelt live muziek in het café.
165 bankc. bank Ik zit op de bank en lees een boek.
166 doelc. goal Het doel van het spel is om te winnen.
167 gesprekc. conversation We hadden een interessant gesprek over de toekomst.
168 partnerc. partner Mijn partner en ik gaan samen op vakantie.
169 groepc. group De groep studenten werkt aan een project.
170 succesc. success Ik wens je veel succes met je examen.
171 vliegtuign. airplane Het vliegtuig stijgt op van de luchthaven.
172 onzinc. nonsense Dat is complete onzin, geloof me maar.
173 ruimtec. space Er is niet genoeg ruimte in deze kamer.
174 pistoolc. pistol Hij droeg een pistool aan zijn zijde.
175 feestc. party We organiseren een groot feest voor zijn verjaardag.
176 muziekc. music Zij luistert graag naar klassieke muziek.
177 slaapc. sleep Ik heb een goede slaap nodig vanavond.
178 vijandc. enemy Hij beschouwde haar als zijn grootste vijand.
179 hoteln. hotel We verblijven in een mooi hotel aan het strand.
180 lijstc. list Ze heeft een lijst gemaakt van alle dingen die ze nodig heeft.
181 hemelc. sky De sterren stralen helder in de hemel van de nacht.
182 briefc. letter Ik heb een brief geschreven naar mijn vriend.
183 goudc. gold Ze droeg een ketting van goud om haar hals.
184 wetc. law De nieuwe wet gaat volgende maand in.
185 gebouwn. building Dat gebouw is heel oud en mooi.
186 bedrijfc. company Hij werkt voor een groot bedrijf in de stad.
187 camerac. camera Ze nam een foto met haar nieuwe camera.
188 prijsc. price De prijs van het boek is erg hoog.
189 meterc. meter De meter geeft de afstand aan.
190 vuurn. fire Het vuur brandt helder in de open haard.
191 bootc. boat De boot vaart over de rivier.
192 gezinc. family Mijn gezin is heel belangrijk voor mij.
193 droomc. dream Iedere nacht heb ik een spannende droom over avontuur.
194 beeldc. image Dat beeld in het museum is echt prachtig.
195 vertalingc. translation De vertaling van dit boek is erg moeilijk.
196 muurc. wall De muur van het huis is geschilderd in een mooie kleur.
197 situatiec. situation De situatie is moeilijk, maar we vinden een oplossing.
198 tafelc. table Zet de bloemen op de tafel in de woonkamer.
199 huwelijkc. marriage Hun huwelijk was een prachtige gebeurtenis.
200 generaalc. general De generaal gaf een belangrijke toespraak.
201 rechterc. judge De rechter nam een beslissing over de zaak.
202 verdachtec. suspect De verdachte werd gearresteerd door de politie.
203 dealc. deal Ze hebben een goede deal gesloten voor het huis.
204 stemc. voice Ze heeft een mooie stem als ze zingt.
205 zakc. bag Hij heeft een grote zak met boodschappen.
206 gebiedc. area Dit gebied is bekend om zijn mooie natuur.
207 kogelc. bullet De kogel raakte het doelwit precies.
208 zusterc. sister Mijn zuster werkt in het ziekenhuis.
209 operatiec. operation De dokter vertelde dat de operatie goed zou verlopen.
210 tekenc. sign Ik maakte een teken van een boom in mijn schrift.
211 machtc. power Hij heeft veel macht in de organisatie.
212 lijnc. line Trek een lijn tussen de twee punten op het papier.
213 verledenn. past In het verleden was het leven heel anders.
214 ruziec. argument Ze hebben een ruzie over wie de schuld is.
215 lesc. lesson De les begint om negen uur in de ochtend.
216 bureaun. desk Mijn bureau staat vol met boeken en papieren.
217 monsterc. monster Het monster was groot en eng in de film.
218 reisc. trip We plannen een reis naar Frankrijk deze zomer.
219 maatc. mate Hij is mijn beste maat en we doen alles samen.
220 planeetc. planet De aarde is een planeet in ons zonnestelsel.
221 computerc. computer Mijn computer is kapot en moet gerepareerd worden.
222 raadc. council Ik vroeg om raad bij het maken van mijn keuze.
223 hongerc. hunger Na het sporten heb ik altijd honger.
224 zielc. soul Iedereen heeft een ziel die uniek is.
225 sterc. star De ster straalt helder aan de nachtelijke hemel.
226 luitenantc. lieutenant De luitenant leidde de missie met veel moed.
227 showc. show We gaan naar een leuke show vanavond.
228 boomc. tree De boom in de tuin is heel oud.
229 kostc. cost De kost van het diner was hoger dan verwacht.
230 kolonelc. colonel De kolonel gaf het bevel aan zijn troepen.
231 omac. grandmother Mijn oma maakt de beste koekjes.
232 raamc. window Het raam staat open voor frisse lucht.
233 rechercheurc. detective De rechercheur loste de zaak snel op.
234 missiec. mission Onze missie is om de wereld te verbeteren.
235 aantalc. number Het aantal bezoekers was hoger dan vorig jaar.
236 bomc. bomb De bom explodeerde en veroorzaakte veel schade.
237 zeec. sea De kinderen spelen graag aan de zee in de zomer.
238 clubc. club Hij gaat elke week naar een sport club.
239 berichtc. message Ik heb een leuk bericht van mijn vriend ontvangen.
240 vluchtc. flight Onze vlucht vertrekt om 10 uur vanmorgen.
241 moeitec. effort Het kostte veel moeite om het project af te krijgen.
242 helc. hell Het was een hel om door het verkeer te komen.
243 kostenc. costs De kosten van de reis zijn hoger dan verwacht.
244 kerkc. church De kerk in het dorp is heel oud.
245 dossierc. file Het dossier is belangrijk voor de aanvraag van je paspoort.
246 grapjec. joke Dat was een leuk grapje, ik moest erom lachen.
247 liefjec. sweetheart Mijn liefje heeft een verrassing voor me voorbereid.
248 beslissingc. decision De beslissing is genomen na lang overleg.
249 rekeningc. bill Ik moet de rekening betalen voor het diner.
250 rijc. row We staan in de rij voor de kassa.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips for learning Dutch nouns

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password