The 200 Most Common Neuter Dutch Nouns

Dutch nouns are either common gender (de-words) or neuter (het-words), and you can't reliably guess which is which. This page lists the most common neuter Dutch nouns, ranked by frequency, each with its English translation and an example sentence, so you can concentrate on the het-words you are most likely to meet first.

Getting de/het right is one of the trickiest parts of Dutch for learners from A2 to C1. Use this list to spot the patterns, then drill the words with Vocab Voyage's flashcards: you type the Dutch word for an English prompt, spaced repetition brings back the ones you get wrong, and accents are forgiven. Sign-up is free and needs only an email address, with no card and no password.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

The 200 Most Common Neuter Dutch Nouns: the list

#DutchEnglishExample
1 uurn. hour Het is bijna één uur in de middag.
2 probleemn. problem Het probleem is moeilijk op te lossen.
3 meisjen. girl Het meisje speelt graag in de tuin.
4 landn. country Dit land heeft veel mooie natuur.
5 verhaaln. story Hij vertelde een spannend verhaal over zijn reis.
6 woordn. word Dat woord betekent veel voor mij.
7 watern. water Zorg ervoor dat je genoeg water drinkt.
8 bedn. bed Ik heb een nieuw bed gekocht.
9 nieuwsn. news Heb je het nieuws gehoord?
10 nummern. number Kun je me je telefoon nummer geven?
11 stukn. piece Dit stuk taart is voor jou.
12 gevoeln. feeling Ik heb een goed gevoel over deze beslissing.
13 teamn. team Ons team heeft de wedstrijd gewonnen.
14 deeln. part Dit is een belangrijk deel van ons project.
15 kantoorn. office Hij werkt elke dag in het kantoor.
16 schipn. ship Het schip vaart naar een verre bestemming.
17 onderzoekn. research Het onderzoek naar de ziekte is nog niet klaar.
18 bewijsn. proof Ze heeft geen bewijs voor haar verhaal.
19 lichtn. light Het licht in de kamer is te fel.
20 ziekenhuisn. hospital Hij moet naar het ziekenhuis voor een controle.
21 einden. end Aan het einde van de film was iedereen blij.
22 feitn. fact Het is een feit dat de aarde rond de zon draait.
23 vliegtuign. airplane Het vliegtuig stijgt op van de luchthaven.
24 hoteln. hotel We verblijven in een mooi hotel aan het strand.
25 gebouwn. building Dat gebouw is heel oud en mooi.
26 vuurn. fire Het vuur brandt helder in de open haard.
27 verledenn. past In het verleden was het leven heel anders.
28 bureaun. desk Mijn bureau staat vol met boeken en papieren.
29 glasn. glass Zet het glas voorzichtig op de rand van de tafel.
30 wezenn. being Het wezen van de discussie is belangrijk.
31 drankjen. drink Zij bestelde een drankje in de bar.
32 appartementn. apartment Ze woont in een klein appartement in de stad.
33 verschiln. difference Er is een groot verschil tussen de twee producten.
34 verliesn. loss Het verlies van een huisdier is altijd moeilijk.
35 spelletjen. game We spelen een leuk spelletje met vrienden.
36 vleesn. meat Ik eet geen vlees meer.
37 energien. energy Ik heb veel energie vandaag.
38 adviesn. advice Ik heb goed advies gekregen van mijn vrienden.
39 programman. program Het nieuwe programma begint volgende week op televisie.
40 voedseln. food Gezond voedsel is belangrijk voor een goede levensstijl.
41 geweldn. violence We moeten het geweld in de samenleving verminderen.
42 akkoordn. agreement Ze hebben een akkoord bereikt na lange onderhandelingen.
43 liedjen. song Dit liedje is mijn favoriete nummer van het jaar.
44 centrumn. center Het centrum van de stad is altijd druk en levendig.
45 internetn. internet Ik gebruik het internet om informatie te vinden.
46 ontslagn. dismissal Hij kreeg zijn ontslag na het slechte nieuws.
47 noordenn. north Het is koud in het noorden van het land.
48 alarmn. alarm Het alarm ging af midden in de nacht.
49 talentn. talent Zij heeft veel talent voor muziek en dans.
50 virusn. virus Het virus verspreidt zich snel in de stad.
51 mannetjen. little man Het kleine mannetje speelde met zijn speelgoed.
52 staaln. steel Dit mes is gemaakt van hoogwaardig staal.
53 uniformn. uniform De leerlingen dragen een uniform op school.
54 materiaaln. material Dit materiaal is perfect voor het maken van meubels.
55 personeeln. staff Het personeel is vriendelijk en behulpzaam.
56 briefjen. note Ze schreef een briefje om haar vriend te laten weten dat ze later zou komen.
57 vliegveldn. airport We arriveerden op het vliegveld om op tijd voor onze vlucht te zijn.
58 pensioenn. pension Ze kijkt uit naar haar pensioen na jarenlang werken.
59 broodn. bread Ik koop vers brood bij de bakker om de hoek.
60 alibin. alibi Hij had een sterk alibi voor de tijd van de misdaad.
61 whiskyn. whisky Hij drinkt graag een glas whisky na het diner.
62 universumn. universe Het universum is enorm en vol mysteries.
63 onderwerpn. subject Het onderwerp van de les was heel interessant.
64 pakjen. package Ik heb een pakje ontvangen van mijn vriend.
65 metaaln. metal Dit voorwerp is gemaakt van sterk metaal.
66 huiswerkn. homework Ik moet mijn huiswerk voor morgen afmaken.
67 kasteeln. castle Het oude kasteel staat op de heuvel en is een toeristische attractie.
68 paspoortn. passport Vergeet je paspoort niet als je op vakantie gaat.
69 mysterien. mystery Het boek gaat over een spannend mysterie dat opgelost moet worden.
70 symbooln. symbol De duif is een symbool van vrede.
71 misdrijfn. crime Het misdrijf werd snel opgelost door de politie.
72 koninkrijkn. kingdom Het koninkrijk der Nederlanden heeft een rijke geschiedenis.
73 dagboekn. diary Ze schrijft elke avond in haar dagboek.
74 proceduren. procedure Volg de procedure stap voor stap.
75 productn. product Dit product is van hoge kwaliteit.
76 vermogenn. ability Hij heeft een groot vermogen om te investeren.
77 theatern. theater We gaan vanavond naar het theater om een nieuwe film te zien.
78 kindjen. little child Het kindje slaapt rustig in zijn bed.
79 jongetjen. little boy Het jongetje speelt graag buiten met zijn vrienden.
80 heelaln. universe Het heelal is enorm en vol sterren.
81 speelgoedn. toys De kinderen spelen met hun nieuw speelgoed.
82 bewustzijnn. consciousness Zijn bewustzijn was helder na de operatie.
83 loonn. wage Hij ontvangt zijn loon aan het einde van de maand.
84 fortuinn. fortune Hij heeft een groot fortuin gewonnen in de loterij.
85 paradijsn. paradise Dit eiland voelt als een paradijs voor vakantiegangers.
86 profieln. profile Zorg ervoor dat je profiel compleet is op sociale media.
87 verkeern. traffic Het verkeer in de stad is vaak druk.
88 timingn. timing Je timing was perfect voor die grap.
89 schermn. screen Het scherm van de computer is kapot en moet worden vervangen.
90 kwartn. quarter Het is al een kwart voor zes, we moeten gaan.
91 fruitn. fruit Ik eet elke dag wat fruit voor een gezonde levensstijl.
92 uiterlijkn. appearance Haar uiterlijk is belangrijk voor haar zelfvertrouwen.
93 trauman. trauma Hij heeft een trauma van zijn kindertijd.
94 salarisn. salary Haar salaris wordt elke maand op de 25e betaald.
95 arrestn. arrest Het arrest van de verdachte was onverwacht.
96 politiebureaun. police station Hij ging naar het politiebureau om aangifte te doen.
97 toezichtn. supervision Er is altijd toezicht op de kinderen in het park.
98 echon. echo De echo weerklonk door de bergen.
99 stralingn. radiation De straling van de zon is belangrijk voor het leven op aarde.
100 winkelcentrumn. shopping center We gaan naar het winkelcentrum om te winkelen.
101 papierwerkn. paperwork Het papierwerk moet voor vrijdag af zijn.
102 laboratoriumn. laboratory In het laboratorium worden veel experimenten uitgevoerd.
103 zaadn. seed Het zaad moet in de grond worden geplant.
104 sperman. sperm De bioloog bestudeert sperma onder de microscoop.
105 magazijnn. warehouse De spullen liggen in het magazijn tot ze worden verzonden.
106 huiszoekingsbeveln. search warrant De politie heeft een huiszoekingsbevel nodig om het huis te doorzoeken.
107 kentekenn. license plate Het kenteken van de auto moet goed zichtbaar zijn.
108 sprookjen. fairy tale Dat verhaal lijkt wel een echt sprookje.
109 instituutn. institute Het instituut biedt cursussen in verschillende vakgebieden.
110 hertn. deer Een hert liep door het bos.
111 luikn. shutter Het luik in de zolder was gesloten.
112 landgoedn. estate Ze wonen op een groot landgoed met veel bomen.
113 geneesmiddeln. medicine Dit geneesmiddel helpt bij het verlichten van pijn en koorts.
114 plattelandn. countryside Het platteland is rustig en mooi in de zomer.
115 roostern. schedule Het rooster voor de lessen is veranderd dit semester.
116 standpuntn. point of view Hij heeft een sterk standpunt over het klimaatprobleem.
117 mortuariumn. mortuary Het mortuarium is een plek voor de overledenen.
118 kredietn. credit Hij vroeg om krediet bij de bank voor zijn nieuwe auto.
119 korpsn. corps Het korps van de brandweer is snel ter plaatse.
120 potloodn. pencil Ik heb een potlood nodig om te schrijven.
121 toetjen. dessert Na het diner hebben we een heerlijk toetje gegeten.
122 vonnisn. verdict Het vonnis werd vandaag uitgesproken door de rechter.
123 hoogtepuntn. highlight Het hoogtepunt van het festival was het vuurwerk.
124 vuurtjen. little fire We maakten een klein vuurtje om ons warm te houden.
125 gehaktn. minced meat Ik heb gehakt gekocht voor de spaghetti.
126 memon. memo Ik heb een memo geschreven voor de vergadering morgen.
127 whiskeyn. whiskey Hij drinkt graag een glas whiskey na het diner.
128 gezegden. saying Dat gezegde betekent dat je altijd moet proberen.
129 initiatiefn. initiative Zij nam het initiatief om de vergadering te organiseren.
130 balletn. ballet Zij gaat elke week naar ballet lessen.
131 magazinen. magazine Ze leest elke maand het nieuwe magazine over mode.
132 mediumn. medium Dit medium is perfect voor het schilderen.
133 betonn. concrete Het gebouw is gemaakt van sterk beton.
134 grondgebiedn. territory Dit grondgebied is beschermd door de wet.
135 dynamietn. dynamite Ze gebruikten dynamiet om de rotsen op te blazen.
136 koorn. choir Het koor zingt elke zondag in de kerk.
137 enthousiasmen. enthusiasm Haar enthousiasme voor het project was aanstekelijk.
138 territoriumn. territory De hond verdedigt zijn territorium tegen andere dieren.
139 harnasn. harness De ridder droeg een zwaar harnas tijdens de strijd.
140 tabletn. tablet Hij leest zijn boeken op een tablet in plaats van op papier.
141 kleingeldn. small change Ik heb wat kleingeld nodig voor de automaat.
142 stuurboordn. starboard De kapitein staat aan de stuurboord van het schip.
143 serumn. serum Het serum wordt gebruikt voor de behandeling.
144 lichtjaarn. light-years Een lichtjaar is de afstand die licht in een jaar aflegt.
145 kabinetn. cabinet Het kabinet vergadert over belangrijke zaken.
146 politiewerkn. police work Hij doet politiewerk en helpt de gemeenschap.
147 scalpeln. scalpel De chirurg gebruikte een scalpel tijdens de operatie.
148 voorspeln. foreplay Het voorspel was spannend voor de grote wedstrijd.
149 plasman. plasma Het plasma in ons lichaam is essentieel voor leven.
150 uraniumn. uranium De wetenschappers onderzochten de eigenschappen van uranium in het laboratorium.
151 varkensvleesn. pork Ik heb vandaag varkensvlees gekocht voor het diner.
152 partnerschapn. partnership Hun partnerschap is gebaseerd op vertrouwen en respect.
153 minimumn. minimum Het minimum aantal deelnemers is vijf voor de workshop.
154 schaakn. chess Hij speelt graag schaak met zijn vrienden in het park.
155 niemandslandn. no man's land Het gebied tussen de twee landen is niemandsland.
156 bloedvergietenn. bloodshed De film bevat veel bloedvergieten en geweld.
157 halfjaarn. half year Ik ga voor een halfjaar naar het buitenland.
158 liefdeslevenn. love life Zijn liefdesleven is momenteel erg spannend.
159 smeergeldn. bribe Hij werd beschuldigd van het aannemen van smeergeld.
160 visumn. visa Je hebt een visum nodig om naar dat land te reizen.
161 voorjaarn. spring In het voorjaar bloeien de bloemen weer.
162 rundvleesn. beef Ik heb rundvlees gekocht voor het avondeten.
163 gevangenschapn. imprisonment Hij zat jaren in gevangenschap voor zijn misdaden.
164 imperiumn. empire Het oude Romeinse imperium was zeer machtig.
165 lastpakn. overalls Hij voelde zich een lastpak met al die verantwoordelijkheden.
166 onderscheidn. distinction Zij maakt een onderscheid tussen goed en kwaad.
167 buskruitn. gunpowder De soldaten gebruikten buskruit voor hun wapens.
168 landhuisn. country house Ze kochten een prachtig landhuis in het platteland.
169 tinn. tin Dit blikje is gemaakt van tin en is recyclebaar.
170 domeinn. domain Dit domein is bekend om zijn prachtige natuur.
171 luchtruimn. airspace Vliegtuigen moeten het luchtruim goed in de gaten houden.
172 koopjen. bargain Dit boek was een koopje in de uitverkoop.
173 taalgebruikn. language use Zijn taalgebruik is heel formeel tijdens de presentatie.
174 kistjen. small box Ze heeft een mooi kistje voor haar sieraden.
175 alarmnummern. emergency number Bel het alarmnummer als er een noodgeval is.
176 millenniumn. millennium We leven nu in het derde millennium van deze eeuw.
177 gebakn. pastry Ze bakt heerlijk gebak voor de verjaardag.
178 onderbewustzijnn. subconscious Dromen komen vaak uit ons onderbewustzijn.
179 getuigenbeschermingn. witness protection De overheid biedt getuigenbescherming aan in gevaarlijke zaken.
180 dansjen. dance Ze leert een nieuw dansje voor het feest.
181 hokjen. box Hij zit in een klein hokje op kantoor.
182 depotn. depot Het depot is vol met oude meubels.
183 jaarboekn. yearbook Het jaarboek van de school is dit jaar heel mooi.
184 fiascon. fiasco Het evenement was een groot fiasco en niemand kwam opdagen.
185 beveiligingssysteemn. security system Het beveiligingssysteem is onlangs vernieuwd voor meer veiligheid.
186 moederschipn. mothership Het moederschip voer majestueus over de oceaan.
187 hoofdbureaun. head office Het hoofdbureau van de politie is in de stad.
188 knopjen. button Druk op het knopje om de lamp aan te zetten.
189 steentjen. small stone Ze gooide een steentje in de vijver.
190 nageslachtn. descendants Hun nageslacht zal de traditie voortzetten.
191 erfgoedn. heritage Ons cultureel erfgoed is belangrijk voor de geschiedenis.
192 noordoostenn. northeast Het noordoosten van het land is bekend om zijn natuur.
193 plateaun. plateau We hebben een prachtig uitzicht vanaf het plateau.
194 reddingsteamn. rescue team Het reddingsteam kwam snel in actie na de ramp.
195 ambtn. office Hij heeft een belangrijk ambt in de overheid.
196 karretjen. cart Hij duwt een karretje vol met boodschappen.
197 plutoniumn. plutonium plutonium is een radioactief element dat in kernreactoren wordt gebruikt.
198 cellon. cello Zij speelt prachtig op de cello tijdens het concert.
199 kryptonn. krypton In de lampen gebruiken ze soms krypton voor extra helderheid.
200 inchn. inch De tafel is ongeveer dertig inch hoog.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

How can I tell if a Dutch noun is neuter?

No single rule covers every case, but two patterns are dependable: diminutives ending in -je (such as meisje) are always neuter, and compound nouns take the gender of their final element, which is why ziekenhuis and vliegtuig are neuter. Beyond that, most neuter nouns simply have to be memorised together with 'het'.

Do neuter nouns use 'de' or 'het' in the plural?

They use 'de'. Every Dutch noun, common gender or neuter, takes 'de' in the plural, so 'het probleem' becomes 'de problemen' and 'het uur' becomes 'de uren'. The het/de distinction applies only to singular nouns.

What's the fastest way to memorise which nouns are neuter?

Practise the article and the noun as a single unit rather than the noun alone, and use spaced repetition so the pairing sticks. On Vocab Voyage you type the Dutch answer for each English prompt, which makes you commit to a form instead of skimming past it.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password