Dutch Talking & Communication Vocabulary

Words for talking and communication turn up in almost every Dutch conversation, from a quick phone call to a serious discussion at work. This themed list gathers frequently used verbs and nouns for expressing yourself, understanding others, and describing how a message or a conversation went, so you can move from basic exchanges to real explanations and discussions.

You'll find everyday verbs like praten, spreken and bellen alongside nouns such as gesprek, bericht and antwoord, plus more precise words like uitleggen, overtuigen and verklaring for when you need to explain or convince someone. Each entry comes with an example sentence, so you learn the word inside a full sentence rather than on its own.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Talking & Communication Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 praten to talk verb Laten we praten over onze plannen.
2 spreken to speak verb We moeten spreken over dit onderwerp.
3 bellen to call verb Ik ga je later bellen om te praten.
4 ontmoeten to meet verb Ik wil je ontmoeten in het park.
5 sturen to send verb Ik ga een brief sturen naar mijn vriend.
6 snappen to understand verb Ik kan het probleem niet snappen, het is te moeilijk.
7 herinneren to remember verb Ik kan me niet herinneren waar ik mijn sleutels heb gelaten.
8 klinken to sound verb De muziek zal mooi klinken vanavond.
9 liegen to lie verb Het is niet goed om te liegen tegen vrienden.
10 antwoordc. answer noun Ik heb geen goed antwoord op die moeilijke vraag.
11 contactc. contact noun Zorg ervoor dat je contact met je vrienden houdt.
12 excuseren to excuse verb Je moet je excuseren voor de late aankomst.
13 gesprekc. conversation noun We hadden een interessant gesprek over de toekomst.
14 briefc. letter noun Ik heb een brief geschreven naar mijn vriend.
15 herkennen to recognize verb Ik kan hem niet herkennen zonder zijn bril.
16 vertalingc. translation noun De vertaling van dit boek is erg moeilijk.
17 stemc. voice noun Ze heeft een mooie stem als ze zingt.
18 berichtc. message noun Ik heb een leuk bericht van mijn vriend ontvangen.
19 uitleggen to explain verb Kun je het nog een keer uitleggen voor mij, alsjeblieft?
20 tonen to show verb Hij wil zijn talenten tonen aan de wereld.
21 melden to report verb Je moet het probleem melden aan de leraar.
22 overtuigen to convince verb Ik probeer hem te overtuigen om mee te gaan.
23 bespreken to discuss verb Laten we de plannen voor het feest bespreken tijdens de vergadering.
24 boodschapc. message noun Hij heeft een belangrijke boodschap voor jou.
25 verklaringc. explanation noun Ze gaf een duidelijke verklaring over het probleem.
26 ontvangen to receive verb We hopen veel gasten te ontvangen op het feest.
27 verklaren to explain verb Ik wil graag de situatie verklaren.
28 grapc. joke noun Dat was een leuke grap, ik moest lachen!
29 reageren to react verb Hij wist niet hoe hij moest reageren op het nieuws.
30 weigeren to refuse verb Hij kan niet weigeren om te helpen.
31 antwoorden to answer verb Ik moet de vragen antwoorden voor de test.
32 telefoontjec. phone call noun Ik kreeg een telefoontje van mijn vriend.
33 accepteren to accept verb Het is moeilijk om te accepteren dat hij weg is.
34 aanbieden to offer verb Zij willen hun hulp aanbieden.
35 zwijgen to be silent verb Soms is het beter om te zwijgen.
36 uitnodigen to invite verb Ik wil je graag uitnodigen voor mijn feestje.
37 beantwoorden to answer verb Kun je deze vraag beantwoorden?
38 wijzen to indicate verb De leraar zal ons wijzen op de juiste manier.
39 postc. mail noun Ik heb vandaag geen post ontvangen.
40 smsc. sms noun Ik heb een sms gestuurd naar mijn vriend om hem te laten weten.
41 interesseren to interest verb Boeken kunnen me altijd interesseren en inspireren.
42 groeten to greet verb Ik wil je graag groeten van mijn familie.
43 langskomen to come by verb Zou je morgen even langskomen voor een kop koffie?
44 respecteren to respect verb Het is belangrijk om anderen te respecteren en hun mening te horen.
45 overeenkomen to agree verb Laten we overeenkomen over de details.
46 meebrengen to bring along verb Vergeet niet om je zwemspullen meebrengen naar het zwembad.
47 aangeven to indicate verb Je moet je naam aangeven bij de receptie.
48 overeenkomstc. agreement noun We hebben een overeenkomst gesloten voor de samenwerking.
49 aanvaarden to accept verb Het is belangrijk om kritiek te aanvaarden en ervan te leren.
50 zoenen to kiss verb Ze houden ervan om elkaar te zoenen onder de sterren.
51 aantrekken to attract verb Ik wil je aandacht aantrekken met deze truc.
52 verbinden to connect verb We moeten de kabels verbinden om de computer aan te sluiten.
53 verbindingc. connection noun Er is een goede verbinding met het internet.
54 afvragen to wonder verb Ik afvragen me vaak hoe dingen werken.
55 oproepc. call noun Ik kreeg een oproep van mijn vriend om te helpen.
56 doorgeven to pass on verb Kun je het me doorgeven als je meer informatie hebt?
57 beledigen to insult verb Het is niet goed om iemand te beledigen met je woorden.
58 discussiec. discussion noun Er was een interessante discussie over het onderwerp.
59 geleiden to guide verb De gids zal ons door het museum geleiden.
60 opsporen to trace verb We moeten de verloren spullen opsporen.
61 staren to stare verb Hij bleef staren naar de sterren.
62 overhalen to persuade verb Ik probeer mijn vrienden te overhalen om mee te gaan.
63 overdrijven to exaggerate verb Je moet niet zo overdrijven, het is niet zo erg.
64 toespraakc. speech noun Hij gaf een indrukwekkende toespraak tijdens het evenement.
65 communicatiec. communication noun Goede communicatie is essentieel voor een succesvol team.
66 terugbellen to call back verb Ik zal je later terugbellen als ik tijd heb.
67 inlichten to inform verb Ik moet je inlichten over het evenement.
68 suggereren to suggest verb Ik wil je iets suggereren voor het diner.
69 praatjec. chat noun We hadden een leuk praatje tijdens de lunch.
70 kletsen to chat verb We houden ervan om te kletsen tijdens de lunch.
71 informeren to inform verb Ik wil je graag informeren over de nieuwe regels.
72 opmerkingc. remark noun Dat was een goede opmerking tijdens de vergadering.
73 onderbreken to interrupt verb Het is niet goed om iemand te onderbreken tijdens het praten.
74 uitspraakc. pronouncement noun De uitspraak van de rechter was duidelijk.
75 uitkijken to look out verb Je moet uitkijken voor het verkeer als je oversteekt.
76 onderschatten to underestimate verb Je moet deze taak niet onderschatten.
77 zwaaien to wave verb De kinderen beginnen te zwaaien naar hun ouders.
78 adviseren to advise verb Ik wil je graag adviseren over je toekomstige keuzes.
79 uitstappen to get out verb We moeten bij het volgende station uitstappen.
80 aanzetten to turn on verb Je moet de computer aanzetten om te beginnen.
81 inzien to realize verb Je moet de situatie goed inzien voordat je beslist.
82 innemen to take in verb Je moet de medicatie op tijd innemen voor het beste resultaat.
83 communiceren to communicate verb Het is belangrijk om goed te communiceren met je team.
84 advertentiec. advertisement noun Ik zag een advertentie voor een nieuwe telefoon.
85 gebaarc. gesture noun Hij maakte een vriendelijk gebaar naar de voorbijgangers.
86 observeren to observe verb Het is belangrijk om goed te observeren tijdens de les.
87 fluisteren to whisper verb De kinderen leren om te fluisteren in de bibliotheek.
88 vermelden to mention verb Ik wil graag jouw naam vermelden in mijn boek.
89 voordoen to demonstrate verb Kun je me voordoen hoe je dat doet?
90 glimlachen to smile verb Het is fijn om te glimlachen naar anderen.
91 presenteren to present verb Hij gaat morgen zijn idee presenteren aan de groep.
92 manipuleren to manipulate verb Sommige mensen proberen anderen te manipuleren voor eigen gewin.
93 uitdrukkingc. expression noun Die uitdrukking betekent iets heel anders.
94 aankijken to look at verb Je moet de situatie goed aankijken voordat je beslist.
95 verwelkomen to welcome verb We willen iedereen verwelkomen op ons feest.
96 feliciteren to congratulate verb Ik wil je graag feliciteren met je verjaardag!
97 uitspreken to pronounce verb Het is belangrijk om je mening duidelijk te uitspreken.
98 begroeten to greet verb We moeten de gasten vriendelijk begroeten bij de deur.
99 vertalen to translate verb Ik moet deze tekst vertalen naar het Engels.
100 confronteren to confront verb Je moet je angsten confronteren om sterker te worden.
101 bespioneren to spy verb Het is niet goed om iemand te bespioneren zonder toestemming.
102 interviewen to interview verb De journalist gaat de schrijver interviewen.
103 bluffen to bluff verb Hij kan goed bluffen, maar ik geloof hem niet.
104 bedrogen to deceive verb Hij voelde zich bedrogen door zijn beste vriend.
105 inspireren to inspire verb De leraar probeert altijd zijn studenten te inspireren met interessante verhalen.
106 ontmaskeren to unmask verb Het is tijd om de waarheid te ontmaskeren en de leugens te stoppen.
107 liken to like verb Je kunt de foto liken op sociale media.
108 blokkeren to block verb Ze willen de website blokkeren vanwege de inhoud.
109 uitdelen to distribute verb De leraar gaat de toetsen uitdelen aan de leerlingen.
110 weggesturen to send away verb Hij is weggesturen omdat hij te laat kwam op het werk.
111 bijzijn to be present verb Het is belangrijk om bij de vergadering te bijzijn.
112 uiten to express verb Hij wil zijn gevoelens uiten in een brief.
113 aankondigen to announce verb Ze gaat aankondigen dat ze zwanger is.
114 besprekingc. discussion noun We hebben een bespreking over het nieuwe project.
115 uitdrukken to express verb Je moet je gevoelens beter uitdrukken in woorden.
116 groetc. greeting noun Een vriendelijke groet is altijd welkom.
117 opsturen to send verb Je moet het pakket vandaag opsturen naar het juiste adres.
118 aanspreken to address verb Je moet de klanten aanspreken met respect.
119 citeren to quote verb Het is belangrijk om goed te citeren in je werk.
120 contactpersoonc. contact person noun Hij is de contactpersoon voor alle vragen over het project.
121 boodschapperc. messenger noun De boodschapper bracht het belangrijke nieuws naar de stad.
122 bellerc. caller noun De beller aan de lijn wil graag met de manager spreken.
123 geconfronteren to confront verb We moeten hem geconfronteren met zijn fouten tijdens het gesprek.
124 telefoongesprekc. telephone conversation noun Het telefoongesprek duurde langer dan ik had verwacht.
125 aankondigingc. announcement noun De aankondiging van het evenement was erg spannend.
126 wegsturen to send away verb Ze willen hem wegsturen omdat hij te laat is.
127 posten to post verb Ik moet de brieven posten voordat het te laat is.
128 wegjagen to chase away verb De hond kan de vogels wegjagen uit de tuin.
129 waarnemen to observe verb Het is belangrijk om goed te waarnemen in deze situatie.
130 ruziën to argue verb Ze willen niet ruziën over kleine dingen.
131 verwijzen to refer verb Ik wil verwijzen naar een goede bron voor informatie.
132 aanvoelen to feel verb Het is belangrijk om te leren hoe je emoties van anderen kunt aanvoelen.
133 aanhoren to listen to verb Je moet het verhaal aanhoren voordat je oordeelt.
134 babbelen to chat verb We willen vanavond gezellig met elkaar babbelen.
135 kondigen to announce verb Ze willen het nieuws kondigen tijdens de vergadering.
136 mededelingc. announcement noun De leraar deed een belangrijke mededeling aan de klas.
137 mailen to email verb Ik ga je de details mailen zodra ik ze heb.
138 bijpraten to catch up verb Laten we snel bijpraten over wat er is gebeurd.
139 roddelen to gossip verb Ze vinden het leuk om over anderen te roddelen.
140 verklappen to reveal verb Ik ga je geheim niet verklappen, dat beloof ik.
141 gluren to peek verb Ze begon te gluren door het raam.
142 verwittigen to inform verb Ik zal je verwittigen als ik meer informatie heb.
143 oogcontactc. eye contact noun Het is belangrijk om oogcontact te maken tijdens een gesprek.
144 tolkc. interpreter noun De tolk vertaalde alles wat de spreker zei.
145 kennismakingc. introduction noun De kennismaking met de nieuwe collega was erg prettig.
146 contacteren to contact verb Je moet de klantenservice contacteren voor meer informatie.
147 telefoneren to telephone verb Ik moet straks even met mijn moeder telefoneren.
148 raadplegen to consult verb Je moet een expert raadplegen voor advies.
149 signaleren to signal verb Het is belangrijk om problemen te signaleren voordat ze groter worden.
150 achterkomen to find out verb Ik wil achterkomen wat er echt is gebeurd.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What's the difference between praten and spreken?

Both mean 'to talk' or 'to speak', but praten is the everyday word for chatting or having a conversation, while spreken is slightly more formal and is the standard verb for speaking a language or giving a speech.

Why are there two words, bericht and boodschap, for 'message'?

Bericht typically refers to a written or digital message, like a text or a notification, while boodschap is more often a message you leave or pass on to someone. The example sentences in the list show each word in a typical context.

How should I practise this Talking & Communication vocabulary with the flashcards?

Type the Dutch word for the English prompt as usual, then say or write a short sentence with it in the way the example does. That helps most with near-synonyms such as snappen, herkennen and herinneren, where the tricky part is knowing which situation each one fits.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password