Dutch Time, Weather & Seasons Vocabulary

This list gathers the Dutch words you'll meet again and again when talking about time, weather and the seasons: days, weeks and years, plus the adverbs that place an action in the past, present or future. You'll see high-frequency items such as tijd, dag, jaar, uur, vandaag, morgen and gisteren, along with trickier pairs like keer versus tijd or duren versus duurt that often slow learners down between A2 and B1.

Each entry comes with its gender, part of speech and an example sentence, so you can see at a glance whether a noun takes de or het and how the word behaves in context. Work through the flashcards below and spaced repetition will bring back exactly the words you're shakiest on, until items like vanavond, straks and gisteravond feel automatic.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Time, Weather & Seasons Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 tijdc. time noun Heb je tijd om een kopje koffie te drinken?
2 dagc. day noun Vandaag is een mooie dag om te wandelen.
3 jaarc. year noun Dit jaar was erg bijzonder voor ons.
4 keerc. time noun Dit is de eerste keer dat ik hier ben.
5 uurn. hour noun Het is bijna één uur in de middag.
6 geleden ago adverb Dat is drie weken geleden.
7 weekc. week noun Volgende week gaan we op vakantie.
8 vandaag today adverb Ik heb vandaag veel te doen.
9 morgen tomorrow adverb Ik ga morgen naar school.
10 momentc. moment noun Wacht een moment, ik ben bijna klaar.
11 vanavond this evening adverb We gaan vanavond naar de film.
12 later later adverb Ik bel je later om te vragen hoe het gaat.
13 eerder earlier adverb Ik kwam eerder dan verwacht aan op het feest.
14 nachtc. night noun Ik ga slapen na een lange nacht.
15 avondc. evening noun In de avond gaan we samen eten.
16 straks soon adverb We gaan straks naar het park voor een picknick.
17 gisteren yesterday adverb Ik heb gisteren een interessante film gezien.
18 vorig previous adjective In het vorig jaar hebben we veel gereisd.
19 vroeger earlier adverb vroeger was alles anders dan nu.
20 toekomstc. future noun Ik maak plannen voor mijn toekomst.
21 afgelopen last adjective De film was afgelopen en ik vond het leuk.
22 gisteravond last night adverb We hebben gisteravond een film gekeken.
23 duren to last verb De film zal nog een uur duren.
24 verledenn. past noun In het verleden was het leven heel anders.
25 duurt to last verb Het duurt even voordat de trein arriveert.
26 tijdjec. while noun Ik heb je al een tijdje niet gezien.
27 weekendc. weekend noun Ik kijk uit naar het weekend om te ontspannen.
28 verjaardagc. birthday noun Ik vier mijn verjaardag dit weekend.
29 ochtendc. morning noun In de ochtend drink ik koffie.
30 eeuwc. century noun Deze stad bestaat al meer dan een eeuw.
31 binnenkort soon adverb We gaan binnenkort op vakantie.
32 datec. date noun Ze heeft een leuke date gepland voor vanavond.
33 zomerc. summer noun In de zomer gaan we vaak naar het strand.
34 nachts at night adverb Ik ga meestal nachts naar bed.
35 vrijdagc. friday noun We gaan naar het feest op vrijdag.
36 vanochtend this morning adverb Ik heb vanochtend een heerlijke koffie gedronken.
37 stormc. storm noun De storm kwam onverwachts en veroorzaakte veel schade.
38 zaterdagc. saturday noun Op zaterdag ga ik naar de markt.
39 winterc. winter noun In de winter sneeuwt het vaak hier.
40 zondagc. sunday noun Op zondag gaan we altijd naar de markt.
41 maandagc. monday noun Op maandag begint de school weer na de vakantie.
42 seizoenc. season noun Dit seizoen zijn er veel festivals in de stad.
43 afgesloten closed adjective De straat was afgesloten vanwege de bouw.
44 donderc. thunder noun Je hoorde de donder tijdens de storm.
45 regenc. rain noun De regen viel hard op het dak.
46 middagc. afternoon noun In de middag gaan we naar het park.
47 onlangs recently adverb Ik heb onlangs een nieuwe auto gekocht.
48 koudec. cold noun De koude van de winter is erg scherp.
49 middernachtc. midnight noun We moeten voor middernacht thuis zijn.
50 dinsdagc. tuesday noun We hebben een vergadering op dinsdag.
51 avonds in the evening adverb Ik lees graag avonds voor het slapen.
52 donderdagc. thursday noun Op donderdag hebben we een belangrijke vergadering.
53 voorgoed forever adverb Hij is voorgoed verhuisd naar een ander land.
54 morgenavondc. tomorrow evening noun We hebben een afspraak morgenavond om zeven uur.
55 telkens each time adverb Hij komt telkens weer te laat op school.
56 datumc. date noun Wat is de datum van je verjaardag?
57 periodec. period noun Deze cursus duurt een lange periode van zes maanden.
58 junic. june noun In juni gaan we op vakantie naar Spanje.
59 septemberc. september noun De school begint weer in september.
60 woensdagc. wednesday noun We hebben een vergadering op woensdag om 10 uur.
61 ochtends in the mornings adverb Ik ga ochtends joggen voordat ik ga werken.
62 lentec. spring noun In de lente bloeien de bloemen.
63 morgens in the morning adverb Ik drink altijd koffie morgens voordat ik ga werken.
64 overdag during the day adverb Ik werk overdag en studeer 's avonds.
65 maartc. march noun In maart begint de lente officieel.
66 zonsondergangc. sunset noun De zonsondergang was prachtig aan het strand.
67 dagelijks daily adjective Ik ga dagelijks joggen in het park.
68 daarnet just now adverb Ik heb daarnet een interessante film gezien.
69 jarenlang for years adverb Hij heeft jarenlang in het buitenland gewoond.
70 decemberc. december noun In december vieren we Kerstmis.
71 hedenc. present noun In het heden is alles anders.
72 tijdperkc. era noun We leven in een nieuw tijdperk van technologie.
73 zonsopgangc. sunrise noun De zonsopgang was prachtig om te zien.
74 februaric. february noun In februari is het vaak koud en nat.
75 jaarlijks annual adjective Het festival is een jaarlijks evenement in de stad.
76 tussentijdc. interim noun In de tussentijd kunnen we andere taken uitvoeren.
77 laat late adjective Ze kwam laat op het feest aan.
78 aankomstc. arrival noun De aankomst van de trein was vertraagd.
79 herfstc. autumn noun In de herfst vallen de bladeren van de bomen.
80 destijds at that time adverb destijds was het leven heel anders.
81 voorheen previously adverb voorheen werkte hij als leraar in Amsterdam.
82 vrijdagavondc. friday evening noun Op vrijdagavond gaan we altijd uit eten.
83 nieuwjaarc. new year noun We vieren nieuwjaar met vuurwerk.
84 zaterdagavondc. saturday evening noun We gaan op zaterdagavond naar de film met vrienden.
85 middags in the afternoon adverb Ik ga vaak wandelen middags in het park.
86 zonnig sunny adjective Het is een zonnig dag om naar het strand te gaan.
87 namiddagc. afternoon noun We gaan wandelen in de namiddag als het weer beter is.
88 kerstavondc. christmas eve noun We vieren kerstavond met een diner en cadeaus.
89 valentijnsdagc. valentine's day noun Op valentijnsdag geven mensen vaak cadeaus aan elkaar.
90 bedtijdc. bedtime noun De kinderen moeten om acht uur hun bedtijd hebben.
91 kalenderc. calendar noun Op de kalender staat een belangrijke afspraak voor morgen.
92 halfuurc. half hour noun Ik kom over een halfuur terug.
93 cyclusc. cycle noun De natuurlijke cyclus is belangrijk voor het milieu.
94 springc. spring noun De spring in de tuin bloeit prachtig in de lente.
95 tijdlijnc. timeline noun De gebeurtenissen staan op de tijdlijn van het project.
96 dageraadc. dawn noun De dageraad brak aan en de zon kwam op.
97 nadien afterwards adverb We gingen naar huis nadien de film was afgelopen.
98 morgenmiddagc. tomorrow afternoon noun We hebben een afspraak morgenmiddag om te vergaderen.
99 eergisteren the day before yesterday adverb Ik heb eergisteren een interessante film gezien met vrienden.
100 tijdmachinec. time machine noun In de film was er een tijdmachine die naar de toekomst kon reizen.
101 pasenc. easter noun Met pasen vieren we de wederopstanding van Jezus.
102 tijc. tide noun Het tij komt en gaat elke zes uur.
103 kerstdagc. christmas day noun Op kerstdag geven we cadeaus aan elkaar.
104 maandenlang for months adverb Ze heeft maandenlang hard gewerkt aan dit project.
105 dagenlang for days adverb Ze heeft dagenlang gewerkt aan haar project zonder pauze.
106 halfjaarn. half year noun Ik ga voor een halfjaar naar het buitenland.
107 tijdreisc. time travel noun In de film maken ze een tijdreis naar het verleden.
108 voorjaarn. spring noun In het voorjaar bloeien de bloemen weer.
109 zonneschijnc. sunshine noun De zonneschijn maakte de dag veel vrolijker en warmer.
110 sunny sunny adjective Het was een sunny dag om buiten te zijn.
111 eeuwenlang for centuries adverb De traditie bestaat al eeuwenlang in deze regio.
112 onweerc. thunderstorm noun Tijdens het onweer bleef iedereen binnen.
113 jubileumc. anniversary noun We vieren ons jubileum dit jaar met een feest.
114 verstreken to elapse verb Er is veel tijd verstreken sinds we elkaar voor het laatst zagen.
115 millenniumn. millennium noun We leven nu in het derde millennium van deze eeuw.
116 lunchtijdc. lunchtime noun Tijdens lunchtijd gaan we vaak naar het park.
117 zometeen in a moment adverb Ik kom zometeen terug met de boodschappen.
118 sneeuwstormc. snowstorm noun Tijdens de sneeuwstorm konden we niet naar buiten.
119 sneeuwen to snow verb Het kan morgen gaan sneeuwen, dus neem een jas mee.
120 geboortedatumc. date of birth noun Vergeet niet je geboortedatum in te vullen op het formulier.
121 gisternachtc. last night noun Het was erg koud gisternacht tijdens de storm.
122 ijstijdc. ice age noun De ijstijd heeft de aarde sterk veranderd.
123 dinsdagavondc. tuesday evening noun We hebben een afspraak op dinsdagavond om zeven uur.
124 donderdagavondc. thursday evening noun We hebben een afspraak op donderdagavond om zeven uur.
125 ditmaal this time adverb ditmaal ga ik echt op tijd naar het feestje.
126 maandelijkse monthly adjective We hebben een maandelijkse vergadering gepland.
127 mistig misty adjective Het was een mistig ochtend met weinig zicht.
128 zondagavondc. sunday evening noun We gaan op zondagavond naar het theater.
129 gistermiddagc. yesterday afternoon noun We hebben gistermiddag een leuke film gekeken.
130 winterslaapn. hibernation noun De beer gaat in winterslaap als het koud wordt.
131 oudejaarsavondc. new year's eve noun We vieren oudejaarsavond met vuurwerk en feest.
132 holidayc. holiday noun Tijdens de holiday gaan we naar het strand.
133 weerberichtc. weather report noun Het weerbericht voorspelt regen voor morgen.
134 ijzig icy adjective Het water was ijzig koud in de winter.
135 tijdsverspillingc. waste of time noun Het is tijdsverspilling om te wachten zonder reden.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What's the difference between keer and tijd, since both translate as 'time'?

keer is used for counting occurrences, as in 'one time, two times', while tijd refers to time as a general concept or a stretch of time. Learning them as two separate words rather than interchangeable synonyms will save you mistakes later.

Why is uur neuter when many other time nouns here are common gender?

Dutch gender isn't predictable from meaning alone: uur belongs to the neuter (het) group, as does verleden, while words like dag, week and jaar are common gender (de). It's worth memorising uur and verleden as the exceptions within this topic.

What's the best way to practise this Time, Weather & Seasons vocabulary on Vocab Voyage?

Type each Dutch word from the English prompt instead of only reading it, since active recall is what spaced repetition is built around. Give extra repetitions to look-alike pairs such as duren and duurt, or avond, vanavond and gisteravond, until you can produce them without hesitating.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password