Dutch Travel & Transport Vocabulary

Talking about a trip in Dutch relies on a small, high-frequency set of words: modes of transport like auto, trein, bus, boot and vliegtuig, places like station, vliegveld and hotel, and the verbs that move you between them, from vertrekken to aankomen. This themed list gathers exactly those words, so you can describe a reis or a vakantie without hunting through a dictionary mid-sentence.

Each entry comes with its English translation, its grammatical gender and an example sentence, so you see the word doing real work rather than sitting in isolation. Whether you are brushing up before a holiday or building toward more natural travel conversation, it is a compact, practical starting point.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Travel & Transport Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 autoc. car noun Zij heeft een nieuwe auto gekocht.
2 rijden to drive verb Ik wil graag rijden in de bergen.
3 vertrekken to leave verb We moeten op tijd vertrekken om de trein te halen.
4 verlaten to leave verb Het is niet goed om een vriend te verlaten in moeilijke tijden.
5 schipn. ship noun Het schip vaart naar een verre bestemming.
6 kapiteinc. captain noun De kapitein van het schip gaf orders aan de bemanning.
7 vliegen to fly verb Wij willen graag naar Spanje vliegen deze zomer.
8 vliegtuign. airplane noun Het vliegtuig stijgt op van de luchthaven.
9 hoteln. hotel noun We verblijven in een mooi hotel aan het strand.
10 bootc. boat noun De boot vaart over de rivier.
11 aankomen to arrive verb De trein zal om 10 uur aankomen op het station.
12 reisc. trip noun We plannen een reis naar Frankrijk deze zomer.
13 vluchtc. flight noun Onze vlucht vertrekt om 10 uur vanmorgen.
14 busc. bus noun De bus vertrekt om acht uur.
15 treinc. train noun De trein vertrekt over vijf minuten.
16 reizen to travel verb Ik hou ervan om te reizen naar nieuwe landen.
17 bezoeken to visit verb We willen je graag bezoeken dit weekend.
18 vakantiec. holiday noun We gaan op vakantie naar Spanje dit jaar.
19 vertrekc. departure noun Het vertrek van de trein is om 10 uur.
20 taxic. taxi noun We namen een taxi naar het station.
21 meegaan to go along verb Wil je meegaan naar de film vanavond?
22 truckc. truck noun De truck rijdt snel over de snelweg.
23 stationc. station noun Het station is druk in de ochtend.
24 teruggaan to return verb We moeten teruggaan naar huis voordat het donker wordt.
25 vliegveldn. airport noun We arriveerden op het vliegveld om op tijd voor onze vlucht te zijn.
26 terugkeren to return verb We hopen snel terugkeren naar ons huis te kunnen.
27 routec. route noun We moeten de beste route naar het strand vinden.
28 helikopterc. helicopter noun De helikopter landde op het dak van het gebouw.
29 busjec. van noun Het kleine busje rijdt elke ochtend naar school.
30 vrachtwagenc. truck noun De vrachtwagen levert goederen aan de supermarkt.
31 fietsc. bicycle noun Hij rijdt elke dag met zijn fiets naar school.
32 voertuigc. vehicle noun Dit voertuig kan snel rijden op de snelweg.
33 arriveren to arrive verb We hopen op tijd te arriveren voor de vergadering.
34 weggingc. departure noun Haar wegging was onverwacht en snel.
35 ritc. ride noun De rit naar het strand was erg leuk.
36 motelc. motel noun We verbleven in een motel langs de snelweg.
37 parkeren to park verb Je moet hier niet parkeren, het is verboden.
38 vervoeren to transport verb We moeten de meubels vervoeren naar het nieuwe huis.
39 metroc. subway noun De metro is de snelste manier om door de stad te reizen.
40 bagagec. luggage noun Zorg ervoor dat je je bagage niet vergeet.
41 bestemmingc. destination noun Onze bestemming voor de vakantie is Spanje.
42 huwelijksreisc. honeymoon noun Ze plannen hun huwelijksreis naar een tropisch eiland.
43 buitenlandc. abroad noun Ze willen naar het buitenland reizen voor hun vakantie.
44 luchthavenc. airport noun We moeten vroeg naar de luchthaven om onze vlucht te halen.
45 instappen to get in verb Je moet snel instappen voordat de trein vertrekt.
46 shuttlec. shuttle noun De shuttle brengt ons naar het vliegveld.
47 oversteken to cross verb Je moet voorzichtig oversteken bij het drukke verkeer.
48 vervoerc. transport noun Het vervoer naar de stad is erg druk.
49 rondleidingc. tour noun De rondleiding door het museum was zeer informatief.
50 auto-ongelukc. car accident noun Hij had een ernstig auto-ongeluk op de snelweg.
51 verkennen to explore verb We gaan het nieuwe gebied verkennen met een gids.
52 hotelkamerc. hotel room noun Ik heb een mooie hotelkamer met uitzicht op de zee geboekt.
53 tourc. tour noun De band gaat op tour door Europa.
54 jeepc. jeep noun De jeep kan goed rijden op onverharde wegen.
55 tochtc. journey noun We maken een lange tocht door het bos.
56 cruisec. cruise noun Hij boekte een cruise naar de Caribbean voor de zomer.
57 expeditiec. expedition noun De expeditie naar de bergen was een groot avontuur.
58 koetsc. carriage noun De prins arriveerde in een prachtige koets.
59 caravanc. caravan noun We gingen op vakantie met onze caravan naar het strand.
60 meerijden to ride along verb Ik wil graag meerijden met jou naar het concert.
61 spoorwegc. railway noun De trein rijdt snel over de spoorweg naar de volgende stad.
62 haltec. stop noun We moeten bij de volgende halte uitstappen.
63 koffertjec. small suitcase noun Hij nam zijn koffertje mee op reis.
64 overnachten to stay overnight verb We willen graag overnachten in een hotel aan het strand.
65 camperc. camper noun We gaan met de camper op vakantie naar Frankrijk.
66 tanken to refuel verb We moeten stoppen om te tanken voordat we verder rijden.
67 afslagc. exit noun Neem de volgende afslag naar rechts.
68 scooterc. scooter noun Ze rijdt elke dag met haar scooter naar school.
69 introduceren to introduce verb Ik wil je graag introduceren aan mijn vrienden.
70 tankstationc. gas station noun We stoppen bij het tankstation om te tanken.
71 toeren to tour verb Ze willen door Europa toeren met de auto.
72 visumn. visa noun Je hebt een visum nodig om naar dat land te reizen.
73 uitstapjec. excursion noun We maken een uitstapje naar het strand dit weekend.
74 reserveringc. reservation noun Ik heb een reservering gemaakt voor het restaurant vanavond.
75 rondrijden to drive around verb We gaan rondrijden met de auto om de stad te verkennen.
76 plattegrondc. map noun Ik heb een plattegrond nodig om de stad te verkennen.
77 bushaltec. bus stop noun De bus stopt bij de bushalte om passagiers op te pikken.
78 omwegc. detour noun We nemen een omweg om de drukte te vermijden.
79 landingsbaanc. runway noun Het vliegtuig landde op de landingsbaan.
80 wegrijden to drive away verb We moeten snel wegrijden voordat het gaat regenen.
81 rondleiden to guide around verb Ik ga de bezoekers rondleiden door het museum.
82 rijtuigc. carriage noun Het oude rijtuig werd gebruikt voor de rondrit door de stad.
83 benzinestationc. gas station noun Het benzinestation is vlakbij de snelweg.
84 duikbootc. submarine noun De duikboot vaart diep onder water.
85 wegbrengen to take away verb Ik moet de boeken wegbrengen naar de bibliotheek.
86 tractorc. tractor noun De boer rijdt met zijn tractor over het veld.
87 veerbootc. ferry noun De veerboot vertrekt om acht uur van de haven.
88 spoorlijnc. railway line noun De spoorlijn verbindt de stad met het platteland.
89 toerc. tour noun We maken een toer door de stad met een gids.
90 motorfietsc. motorcycle noun Ze rijdt elke dag op haar motorfiets naar het werk.
91 vaartuigc. vessel noun Het vaartuig voer langzaam over het water.
92 onderkomenc. accommodation noun Ze zochten een veilig onderkomen voor de nacht.
93 zwerven to wander verb De honden zwerven door de straten van de stad.
94 perronc. platform noun We wachten op het trein perron voor vertrek.
95 busstationc. bus station noun Het busstation is vlakbij het winkelcentrum.
96 doorreisc. stopover noun Tijdens de doorreis stopten we voor een korte pauze.
97 huurautoc. rental car noun We hebben een huurauto nodig voor onze vakantie.
98 safaric. safari noun We gaan op safari in Afrika.
99 campingc. camping noun We gaan dit weekend naar de camping aan het meer.
100 terugreisc. return trip noun Tijdens de terugreis hebben we veel mooie dingen gezien.
101 inchecken to check in verb Je moet inchecken voor je vlucht bij de balie.
102 tramc. tram noun De tram komt elke tien minuten.
103 jachthavenc. marina noun De boten liggen veilig in de jachthaven aan de kust.
104 excursiec. excursion noun De school organiseert een excursie naar het museum.
105 vrachtautoc. truck noun De vrachtauto levert goederen aan de winkel.
106 bootjec. little boat noun We gingen met een klein bootje varen op de rivier.
107 transporteren to transport verb We moeten de goederen snel transporteren naar de klant.
108 vluchtautoc. getaway car noun De vluchtauto was snel en onopvallend.
109 treinstationc. train station noun Het treinstation is druk op maandagochtend.
110 vliegticketc. plane ticket noun Ik heb mijn vliegticket naar Amsterdam al geboekt.
111 airportc. airport noun We gaan naar het airport om de vlucht te nemen.
112 navigeren to navigate verb Het is belangrijk om goed te navigeren tijdens de reis.
113 noodlandingc. emergency landing noun Het vliegtuig maakte een noodlanding door motorproblemen.
114 postkoetsc. mail coach noun De postkoets rijdt door het oude dorp.
115 verschepen to ship verb We moeten de goederen verschepen naar het buitenland.
116 motelkamerc. motel room noun We hebben een motelkamer geboekt voor het weekend.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What is the difference between vertrekken and verlaten if both mean 'to leave'?

Vertrekken is intransitive and describes departing, as when a trein vertrekt, while verlaten is transitive and always takes an object, so you verlaten a hotel or verlaten a person. Use vertrekken when nothing follows the verb, and verlaten when you name what is being left.

How do I know whether a Dutch travel word uses de or het?

There is no foolproof rule, so learn the article with the word from the start. In this list, schip, vliegtuig, hotel and vliegveld are het-words, while auto, trein, bus, boot, reis, vlucht, vakantie, taxi, truck and kapitein take de.

Why do words like aankomen, meegaan and teruggaan split apart in sentences?

They are separable verbs: aan, mee and terug detach and move to the end of a main clause, so aankomen gives 'ik kom morgen aan.' It looks odd at first, but it is a regular pattern across many Dutch verbs, not just travel ones.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password