Dutch Work & Business Vocabulary

This themed list gathers Dutch vocabulary for work and business, from everyday verbs like werken (to work) and verkopen (to sell) to workplace roles such as baas, collega and directeur. Each entry comes with its English translation, its gender and an example sentence, so you see the word doing its job in context rather than sitting alone on a flashcard.

Whether you are preparing for a Dutch-speaking workplace, studying business Dutch, or just want to talk about your baan and your team with confidence, this set focuses on words that turn up in meetings, job ads and office small talk. Learn it with spaced repetition in Vocab Voyage: type the Dutch word for each English prompt, get instant feedback, and let the app bring words back just before you would forget them.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Work & Business Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 werken to work verb Ik moet werken aan mijn project.
2 werkc. work noun Zij heeft veel werk te doen vandaag.
3 agentc. agent noun De agent hielp de mensen.
4 baasc. boss noun Mijn baas is erg aardig.
5 stelen to steal verb Het is niet goed om te stelen van anderen.
6 teamn. team noun Ons team heeft de wedstrijd gewonnen.
7 verkopen to sell verb We willen ons huis verkopen voor een goede prijs.
8 baanc. job noun Ze heeft een nieuwe baan gevonden in de stad.
9 leiden to lead verb Zij wil de groep leiden naar het doel.
10 kantoorn. office noun Hij werkt elke dag in het kantoor.
11 onderzoekn. research noun Het onderzoek naar de ziekte is nog niet klaar.
12 dienstc. service noun Hij werkt in de klantenservice dienst.
13 bouwen to build verb We willen een nieuw huis bouwen in de stad.
14 regelen to arrange verb Ik moet nog een taxi regelen voor morgen.
15 bedrijfc. company noun Hij werkt voor een groot bedrijf in de stad.
16 plannen to plan verb We moeten goed plannen voor de vakantie.
17 ontslagen to dismiss verb Hij heeft besloten om te ontslagen uit zijn baan.
18 sergeantc. sergeant noun De sergeant gaf ons duidelijke instructies.
19 leiderc. leader noun De leider van het team is erg inspirerend.
20 taakc. task noun Mijn taak voor vandaag is het afmaken van het rapport.
21 leveren to deliver verb We moeten de bestelling op tijd leveren.
22 dienen to serve verb We moeten dienen om de gemeenschap te helpen.
23 collegac. colleague noun Mijn collega helpt me vaak met mijn werk.
24 detectivec. detective noun De detective loste het mysterie op.
25 directeurc. director noun De directeur geeft altijd goede instructies.
26 eigenaarc. owner noun De eigenaar van het restaurant is erg vriendelijk.
27 majoorc. major noun De majoor gaf ons instructies voor de oefening.
28 afdelingc. department noun De afdeling voor klantenservice is erg behulpzaam.
29 captainc. captain noun De captain van het team gaf een inspirerende toespraak.
30 vergaderingc. meeting noun De vergadering begint om tien uur.
31 projectc. project noun Het project is bijna af en we zijn erg trots.
32 contractc. contract noun Ze hebben een nieuw contract getekend voor het huis.
33 pilootc. pilot noun De piloot van het vliegtuig is ervaren.
34 lassen to weld verb We moeten de metalen delen lassen voor de constructie.
35 coachc. coach noun Onze coach helpt ons beter te worden.
36 samenwerken to collaborate verb Het is belangrijk om te samenwerken aan dit project voor betere resultaten.
37 ontslagn. dismissal noun Hij kreeg zijn ontslag na het slechte nieuws.
38 overnemen to take over verb Zij wil het bedrijf overnemen van haar vader.
39 managerc. manager noun De manager van het team gaf ons belangrijke instructies.
40 starten to start verb Ze willen het project binnenkort starten.
41 chauffeurc. driver noun De chauffeur rijdt ons veilig naar het hotel.
42 ontmoetingc. meeting noun We hebben een ontmoeting gepland voor volgende week.
43 ontwikkelen to develop verb We moeten een plan ontwikkelen voor het nieuwe project.
44 assistentc. assistant noun De assistent helpt de leraar met de lessen.
45 plusc. plus noun De plus van deze aanbieding is dat het gratis is.
46 personeeln. staff noun Het personeel is vriendelijk en behulpzaam.
47 plichtc. duty noun Het is mijn plicht om voor mijn gezin te zorgen.
48 huren to rent verb We besluiten om een auto te huren voor de vakantie.
49 bezorgen to deliver verb Zij wil de bloemen graag bezorgen voor het feest.
50 handelc. trade noun De handel in de stad groeit elk jaar.
51 inhuren to hire verb Het bedrijf besluit een expert te inhuren voor het project.
52 professioneel professional adjective Hij heeft een professioneel houding tijdens de vergadering.
53 tijdelijk temporary adjective Dit is een tijdelijk project dat volgend jaar eindigt.
54 ontslaan to dismiss verb De manager besloot om ontslaan de werknemer wegens slechte prestaties.
55 beroepc. profession noun Hij heeft gekozen voor een beroep in de geneeskunde.
56 opzetten to set up verb We moeten een plan opzetten voor het evenement.
57 expertc. expert noun De dokter is een expert op het gebied van hartziekten.
58 schrijverc. writer noun De schrijver heeft een nieuw boek gepubliceerd.
59 trucc. trick noun Hij had een slimme truc om het probleem op te lossen.
60 fabriekc. factory noun De fabriek produceert duizenden auto's per jaar.
61 bemanningc. crew noun De bemanning was goed voorbereid op de reis.
62 kandidaatc. candidate noun De kandidaat voor de functie is zeer ervaren.
63 afhandelen to handle verb We moeten deze zaken snel afhandelen.
64 acteurc. actor noun Hij is een bekende acteur in de filmindustrie.
65 repareren to repair verb Hij kan de auto zelf repareren.
66 onderhandelen to negotiate verb We moeten onderhandelen over de prijs van de auto.
67 journalistc. journalist noun De journalist interviewde de burgemeester over het project.
68 organisatiec. organization noun De organisatie helpt mensen in nood.
69 ontwerpen to design verb Ze willen een nieuw logo ontwerpen voor hun bedrijf.
70 uitgeven to publish verb Ik wil mijn geld niet uitgeven aan onnodige dingen.
71 scheppen to create verb Je moet goed scheppen om een mooie zandkasteel te maken.
72 inzetten to deploy verb Je moet je tijd goed inzetten om alles op tijd af te krijgen.
73 bedrijven to operate verb Veel mensen willen hun eigen bedrijven starten.
74 vertegenwoordigen to represent verb Hij wil graag ons bedrijf vertegenwoordigen op de conferentie.
75 voorzitterc. chairman noun De voorzitter van de vergadering sprak duidelijk en rustig.
76 organiseren to organize verb We moeten het evenement goed organiseren.
77 promotiec. promotion noun Ze kreeg een promotie op haar werk.
78 besturen to govern verb Hij wil graag een auto besturen als hij ouder is.
79 indienen to submit verb Je moet je aanvraag voor het visum indienen voor vrijdag.
80 divisiec. division noun De divisie van het bedrijf is verantwoordelijk voor de verkoop.
81 voorbereiden to prepare verb Ze moet zich goed voorbereiden voor het examen.
82 bediendec. employee noun De bediende hielp ons met onze vragen.
83 kokc. cook noun De kok bereidde een heerlijk diner.
84 staken to strike verb De werknemers besluiten te staken voor betere voorwaarden.
85 vrijwilligerc. volunteer noun Als vrijwilliger help ik elke zaterdag in het dierenasiel.
86 gereedschapc. tools noun Ik heb nieuw gereedschap nodig om de kast te maken.
87 hoofdinspecteurc. chief inspector noun De hoofdinspecteur kwam om het onderzoek te leiden.
88 produceren to produce verb We willen meer producten produceren dit jaar.
89 hoofdkwartierc. headquarters noun Het hoofdkwartier van het bedrijf is in Amsterdam.
90 trekkerc. tractor noun De trekker rijdt over het veld.
91 adviseurc. advisor noun Hij is een goede adviseur voor het bedrijf.
92 verbazingwekkend amazing adjective Het uitzicht vanaf de berg is verbazingwekkend.
93 strategiec. strategy noun Onze strategie is om vroeg te beginnen.
94 secretaressec. secretary noun De secretaresse heeft de afspraken voor de directeur geregeld.
95 kuddec. herd noun De kudde schapen graasde op het veld.
96 stafc. staff noun De staf van de organisatie is erg professioneel.
97 serveersterc. waitress noun De serveerster bracht ons het menu met een glimlach.
98 papierwerkn. paperwork noun Het papierwerk moet voor vrijdag af zijn.
99 sectorc. sector noun De sector van technologie groeit snel.
100 laboratoriumn. laboratory noun In het laboratorium worden veel experimenten uitgevoerd.
101 verkoperc. seller noun De verkoper hielp ons bij het kiezen van een nieuwe telefoon.
102 afvuren to fire verb Ze willen de raket afvuren om de ruimte te verkennen.
103 ondernemingc. enterprise noun Hij startte een nieuwe onderneming in de technologie sector.
104 zakenmanc. businessman noun De zakenman presenteerde zijn ideeën aan de investeerders.
105 stichten to establish verb Ze willen een nieuwe club stichten voor jongeren.
106 aanpakc. approach noun De aanpak van het probleem moet veranderen.
107 investeren to invest verb Ze willen investeren in duurzame energieprojecten.
108 zakelijk businesslike adjective Hij heeft een zakelijk gesprek met de klant.
109 regisseurc. director noun De regisseur gaf aanwijzingen aan de acteurs.
110 ambitiec. ambition noun Haar ambitie om te slagen is inspirerend.
111 gidsc. guide noun De gids vertelde ons veel over de stad.
112 verslaggeverc. reporter noun De verslaggever interviewde de burgemeester over het evenement.
113 instituutn. institute noun Het instituut biedt cursussen in verschillende vakgebieden.
114 oberc. waiter noun De ober nam onze bestelling op met een glimlach.
115 kapperc. hairdresser noun Ik ga naar de kapper voor een nieuwe haarsnit.
116 specialistc. specialist noun De specialist gaf ons advies over onze gezondheid.
117 ingenieurc. engineer noun De ingenieur werkte aan een innovatief technologieproject.
118 ondernemen to undertake verb Hij wil graag ondernemen in de toekomst.
119 medewerkingc. cooperation noun Zonder medewerking van de teamleden kunnen we het project niet afronden.
120 luchtmachtc. air force noun De luchtmacht heeft een belangrijke rol in de nationale verdediging.
121 astronautc. astronaut noun De astronaut vertelde over zijn ervaringen in de ruimte.
122 dienaarc. servant noun De koning had een trouwe dienaar aan zijn zijde.
123 ambtenaarc. civil servant noun De ambtenaar gaf ons informatie over de aanvraag.
124 productiec. production noun De productie van de film begon vorige maand.
125 profiteren to profit verb Je moet profiteren van deze kans.
126 conciërgec. concierge noun De conciërge helpt gasten met hun vragen en problemen.
127 overdragen to transfer verb Je moet de verantwoordelijkheden goed overdragen aan je collega.
128 businessc. business noun Hij heeft een succesvolle business in de technologie.
129 rangerc. ranger noun De ranger leidde de groep door het nationale park.
130 tactiekc. tactics noun De coach bedacht een nieuwe tactiek voor de wedstrijd.
131 werkerc. worker noun De werker was moe na een lange dag.
132 conferentiec. conference noun De conferentie over technologie was zeer informatief.
133 zakelijke business adjective Ze heeft een zakelijke benadering van het probleem.
134 presentatiec. presentation noun De presentatie was erg interessant en goed voorbereid.
135 matroosc. sailor noun De matroos werkte hard op het schip.
136 werkgeverc. employer noun Mijn werkgever is erg vriendelijk.
137 makelaarc. broker noun De makelaar helpt mensen bij het kopen van een huis.
138 concurrentiec. competition noun Er is veel concurrentie tussen de verschillende bedrijven.
139 vertegenwoordigerc. representative noun De vertegenwoordiger kwam langs om het nieuwe product te tonen.
140 brandweermanc. firefighter noun De brandweerman redde een kat uit de boom.
141 koerierc. courier noun De koerier bracht het pakket op tijd.
142 muzikantc. musician noun De muzikant speelde een prachtig nummer.
143 barmanc. barman noun De barman serveerde ons snel onze drankjes.
144 sponsorc. sponsor noun De sponsor helpt het team met financiële steun.
145 industriec. industry noun De industrie groeit snel in deze regio.
146 secretarisc. secretary noun De secretaris nam de notulen van de vergadering.
147 bankierc. banker noun De bankier gaf ons advies over onze financiën.
148 oprichten to establish verb We willen een nieuwe club oprichten voor jongeren.
149 technicusc. technician noun De technicus repareerde de computer snel en efficiënt.
150 leverancierc. supplier noun Onze leverancier levert altijd op tijd en is betrouwbaar.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What's the difference between werk and baan?

Werk refers to work in general, the activity or the concept, while baan means a specific job or position. If you could say "position" in English, reach for baan; if you mean work in general, use werk.

How do I know if a work-related Dutch noun is de or het?

No single rule covers every noun, but this list offers a useful shortcut: the words for people and roles (baas, collega, directeur, leider, agent) are de-words, while team, kantoor and onderzoek are het-words worth memorising separately.

What's the best way to practise this Dutch business vocabulary?

Use spaced repetition in Vocab Voyage: sign up free with an email address, then type the Dutch word each time you see the English prompt. Reviews come back just before you would naturally forget a word, which works well for grouped topics like work and business.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password