Dutch Health & the Body Vocabulary

This themed list gathers frequently used Dutch words for talking about health and the body, from everyday nouns like hoofd, hart and bloed to states such as ziek, moe and zwanger, plus verbs like slapen and behandelen. Each entry comes with its English translation, gender and an example sentence, so you see the word working in context instead of sitting alone on a flashcard.

Whether you are preparing to describe pijn to a dokter, talk about a stay in the ziekenhuis, or simply say that you are moe or wakker, this set gives you the practical core vocabulary for real conversations about how you feel and what is happening with your lichaam.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Health & the Body Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 sterven to die verb Iedereen moet ooit sterven.
2 hoofdc. head noun Hij heeft een groot hoofd vol ideeën.
3 slapen to sleep verb Ik ga vroeg naar bed om goed te kunnen slapen.
4 dokterc. doctor noun De dokter zei dat ik meer water moet drinken.
5 pijnc. pain noun Ik heb pijn in mijn hoofd en wil rust.
6 veilig safe adjective Het is veilig om hier te wandelen in de dag.
7 lichaamc. body noun Een gezond lichaam is belangrijk.
8 hartc. heart noun Hij heeft een groot hart voor dieren.
9 bloedc. blood noun Hij gaf bloed voor de test.
10 zorgc. care noun Hij heeft veel zorg voor zijn familie.
11 gezichtc. face noun Ze heeft een mooi gezicht met grote ogen.
12 wakker awake adjective Ik ben wakker geworden na een lange nacht.
13 krachtc. strength noun Ze heeft veel kracht om door te gaan.
14 ziek sick adjective Hij voelt zich ziek en kan niet naar school.
15 ziekenhuisn. hospital noun Hij moet naar het ziekenhuis voor een controle.
16 slaapc. sleep noun Ik heb een goede slaap nodig vanavond.
17 behandelen to treat verb De dokter zal je klachten behandelen.
18 ruiken to smell verb Ik hou ervan om bloemen te ruiken.
19 operatiec. operation noun De dokter vertelde dat de operatie goed zou verlopen.
20 moe tired adjective Na een lange dag ben ik heel moe.
21 hongerc. hunger noun Na het sporten heb ik altijd honger.
22 dronken drunk adjective Hij was te dronken om naar huis te rijden.
23 zwanger pregnant adjective Ze is zwanger en verwacht haar eerste kind.
24 gewond injured adjective Hij is gewond geraakt tijdens de wedstrijd.
25 medisch medical adjective Hij heeft een medisch diploma behaald aan de universiteit.
26 zwak weak adjective Hij voelde zich zwak na de lange ziekte.
27 artsc. doctor noun De arts heeft me goed geholpen.
28 nekc. neck noun Ze heeft pijn in haar nek na het sporten.
29 energien. energy noun Ik heb veel energie vandaag.
30 lijden to suffer verb Sommige mensen lijden in stilte.
31 ademc. breath noun Neem een diepe adem en probeer te ontspannen.
32 roken to smoke verb Het is ongezond om te roken in gesloten ruimtes.
33 gezond healthy adjective Het is belangrijk om gezond te eten en te bewegen.
34 ziektec. disease noun Deze ziekte is besmettelijk, dus wees voorzichtig.
35 genezen to heal verb Artsen proberen mensen te genezen van hun ziekten.
36 hersenenc. brains noun De hersenen zijn belangrijk voor ons denken.
37 verbandc. bandage noun Er is een duidelijk verband tussen voeding en gezondheid.
38 medicijnenc. medicines noun Hij moet zijn medicijnen elke dag innemen.
39 huidc. skin noun Zorg goed voor je huid in de zon.
40 ademen to breathe verb Het is belangrijk om rustig te ademen tijdens het mediteren.
41 wondc. wound noun Hij heeft een wond op zijn arm na het vallen.
42 schouderc. shoulder noun Hij legde zijn hand op mijn schouder om me te steunen.
43 ambulancec. ambulance noun De ambulance arriveerde snel na het ongeluk op de snelweg.
44 longc. lungs noun De dokter controleerde mijn long tijdens het onderzoek.
45 helen to heal verb De dokter kan de wond helen met een zalf.
46 behandelingc. treatment noun De dokter gaf een goede behandeling voor mijn ziekte.
47 virusn. virus noun Het virus verspreidt zich snel in de stad.
48 tongc. tongue noun Ze stak haar tong uit als grap.
49 keelc. throat noun Hij heeft pijn in zijn keel door het koude weer.
50 buikc. belly noun Mijn buik doet pijn na het eten.
51 gezondheidc. health noun Een goede gezondheid is belangrijk voor een gelukkig leven.
52 pijnlijk painful adjective Het was een pijnlijk ervaring voor hem.
53 verpleegsterc. nurse noun De verpleegster hielp de dokter met de operatie.
54 maagc. stomach noun Na het eten had ik een pijn in mijn maag.
55 polsc. wrist noun Hij draagt een horloge om zijn pols.
56 breinc. brain noun Je brein heeft veel informatie nodig om goed te functioneren.
57 overgeven to vomit verb Als je ziek bent, kan je je soms overgeven.
58 fysiek physical adjective Zij is in fysiek goede conditie.
59 leverc. liver noun De lever is een belangrijk orgaan.
60 hartaanvalc. heart attack noun Een hartaanval kan plotseling en onverwacht komen.
61 therapiec. therapy noun Hij gaat naar therapie om beter te worden.
62 zuurstofc. oxygen noun Planten geven zuurstof af tijdens de fotosynthese.
63 schedelc. skull noun De schedel is een belangrijk deel van het lichaam.
64 teenc. toes noun Ik heb mijn teen gestoten tegen de tafel.
65 chirurgc. surgeon noun De chirurg is gespecialiseerd in hartoperaties.
66 psychiaterc. psychiatrist noun Een psychiater kan helpen bij mentale problemen.
67 kliniekc. clinic noun Ze ging naar de kliniek voor haar behandeling.
68 bewusteloos unconscious adjective Hij viel bewusteloos neer na de klap.
69 hartslagc. heartbeat noun Na het sporten is mijn hartslag altijd snel.
70 temperatuurc. temperature noun De temperatuur is vandaag hoger dan gisteren.
71 bloeddrukc. blood pressure noun Je moet je bloeddruk regelmatig laten meten.
72 hoofdpijnc. headache noun Ik heb hoofdpijn en wil even rusten.
73 koortsc. fever noun Hij heeft koorts en moet rusten.
74 nagelc. nails noun Ze heeft een mooie nagel manicure.
75 comac. coma noun Hij kwam uit een lange coma na het ongeluk.
76 vergiftigd poisoned adjective Het eten was vergiftigd en moest worden weggegooid.
77 medicijnc. medicine noun Dit medicijn helpt tegen de hoofdpijn.
78 douchen to shower verb Ik ga elke ochtend douchen voordat ik naar school ga.
79 symptoomc. symptoms noun Koorts is een veelvoorkomend symptoom van ziekte.
80 zenuwc. nerves noun Een schrik kan je zenuw prikkelen.
81 luisc. lice noun De luis op zijn hoofd jeukt heel erg.
82 hittec. heat noun De hitte van de zomer kan soms ondraaglijk zijn.
83 nierc. kidney noun De dokter controleerde of mijn nier goed functioneerde.
84 doof deaf adjective Hij is doof en kan geen geluiden horen.
85 bloeden to bleed verb Als je je snijdt, kan het beginnen te bloeden.
86 blaasc. bladder noun Je moet goed voor je blaas zorgen.
87 bloedingc. bleeding noun Een ernstige bloeding kan levensbedreigend zijn.
88 infectiec. infection noun Hij heeft een infectie op zijn huid.
89 doodsoorzaakc. cause of death noun De dokter vertelde de doodsoorzaak van de patiënt.
90 besmet infected adjective De plant is besmet met een ziekte.
91 condoomc. condom noun Het is belangrijk om een condoom te gebruiken voor bescherming.
92 cocaïnec. cocaine noun Het gebruik van cocaïne is illegaal en gevaarlijk.
93 zweetc. sweat noun Na het sporten had hij veel zweet op zijn voorhoofd.
94 tumorc. tumor noun De dokter ontdekte een tumor in zijn buik.
95 trauman. trauma noun Hij heeft een trauma van zijn kindertijd.
96 misselijk nauseous adjective Na het eten voelde ik me misselijk en moest ik even gaan liggen.
97 autopsiec. autopsy noun De autopsie zal de oorzaak van de dood onthullen.
98 medicatiec. medication noun De dokter heeft nieuwe medicatie voorgeschreven.
99 therapeutc. therapist noun Hij gaat elke week naar zijn therapeut voor hulp.
100 allergisch allergic adjective Zij is allergisch voor pollen in de lente.
101 tandartsc. dentist noun Ik moet morgen naar de tandarts voor een controle.
102 herstelc. recovery noun Na het ongeluk was zijn herstel erg langzaam.
103 patiëntc. patient noun De patiënt wacht op zijn afspraak bij de dokter.
104 conditiec. condition noun Je moet in goede conditie blijven om te sporten.
105 diagnosec. diagnosis noun De dokter gaf een duidelijke diagnose.
106 ademhalen to breathe verb Het is belangrijk om rustig te ademhalen tijdens stressvolle momenten.
107 heupc. hips noun Hij heeft pijn in zijn heup na het sporten.
108 dosisc. dose noun Neem de juiste dosis van het medicijn.
109 lichamelijk physical adjective Hij heeft een lichamelijk probleem dat hem hindert.
110 overdosisc. overdose noun Een overdosis kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid.
111 weefselc. tissue noun Het weefsel van de plant is erg sterk en flexibel.
112 kaakc. jaw noun Hij heeft zijn kaak gebroken tijdens het sporten.
113 injectiec. injection noun De dokter gaf me een injectie tegen de griep.
114 rolstoelc. wheelchair noun Hij gebruikt een rolstoel om zich te verplaatsen.
115 spuitc. syringe noun De spuit is nodig voor het planten van bloemen.
116 verwonden to wound verb Hij wilde niet verwonden tijdens het spel.
117 darmc. intestines noun De darm is een belangrijk onderdeel van ons spijsverteringsstelsel.
118 ziekenboegc. sick bay noun De ziekenboeg is vol met zieke spelers.
119 bijkomen to recover verb Ik ga even bijkomen na een lange dag.
120 bevriezen to freeze verb Het water kan bevriezen als het koud genoeg is.
121 duizelig dizzy adjective Na het draaien voel ik me een beetje duizelig.
122 kwaadaardig malignant adjective De film had een kwaadaardig karakter dat iedereen bang maakte.
123 plaagc. plague noun De plaag van insecten was een groot probleem dit jaar.
124 ongedeerd unharmed adjective Hij kwam ongedeerd uit het ongeluk, wat een wonder is.
125 morfinec. morphine noun De dokter gaf hem morfine voor de pijn.
126 zwangerschapc. pregnancy noun Haar zwangerschap was een verrassing voor het hele gezin.
127 voorhoofdc. forehead noun Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd af.
128 griepc. flu noun Hij heeft de griep en kan niet naar school.
129 geneesmiddeln. medicine noun Dit geneesmiddel helpt bij het verlichten van pijn en koorts.
130 beroertec. stroke noun Na de beroerte moest hij revalideren om weer te kunnen lopen.
131 bacteriec. bacteria noun Een bacterie kan ziekten veroorzaken.
132 psychiatrisch psychiatric adjective Hij kreeg psychiatrisch advies van een specialist.
133 trillen to tremble verb De aarde begon te trillen tijdens de aardbeving.
134 ademhalingc. breathing noun Haar ademhaling was rustig tijdens de meditatie.
135 gewurgen strangled adjective De slang was gewurgen door de sterke grip van de jager.
136 schotwondc. gunshot wound noun De dokter behandelt de schotwond van het slachtoffer.
137 chirurgiec. surgery noun De chirurgie was succesvol en de patiënt herstelt goed.
138 welzijnc. well-being noun Het welzijn van de kinderen is erg belangrijk voor ons.
139 depressiec. depression noun Veel mensen hebben last van depressie in moeilijke tijden.
140 vitaal vital adjective Een goede gezondheid is vitaal voor iedereen.
141 massagec. massage noun Een goede massage kan helpen bij stress.
142 urinec. urine noun De dokter vroeg om een monster van de urine.
143 dierenartsc. veterinarian noun De dierenarts helpt zieke dieren.
144 zweten to sweat verb Ik begin te zweten als ik sport.
145 tegengifc. antidote noun Het tegengif hielp tegen de slangengif.
146 antibioticac. antibiotics noun De dokter schreef antibiotica voor tegen de infectie.
147 ruggengraatc. spine noun Een sterke ruggengraat is belangrijk voor een goede houding.
148 apotheekc. pharmacy noun Je kunt medicijnen kopen bij de apotheek in de stad.
149 bijwerkingc. side effects noun Deze medicijn heeft soms een vervelende bijwerking.
150 vitaminec. vitamin noun Het is belangrijk om genoeg vitamine binnen te krijgen voor een goede gezondheid.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What level is the Dutch Health & the Body vocabulary list for?

It suits A2 to C1 learners who already know some Dutch grammar. You get core words such as hoofd, dokter and slapen, plus less basic items like behandelen, medisch and operatie to fill in the gaps.

How do I actually study these words in Vocab Voyage?

Sign up free with just an email, with no card and no password, then work through English prompts and type the Dutch word yourself; accents are forgiven. Spaced repetition brings words like ziek, zwanger or gewond back just before you would normally forget them.

How should I handle de and het with these nouns?

Learn the article as part of the word rather than guessing it later, and say the article and noun aloud together, as in het ziekenhuis. Every noun in this list is labelled with its gender, so check it as you review.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password