Dutch Food & Drink Vocabulary

Food and drink is one of the most useful topics in everyday Dutch: ordering in a restaurant, chatting about what's for lunch, or simply saying a meal was lekker. This themed list covers 150 common Dutch food and drink words, from basics like eten, water and koffie to more specific terms like ontbijt, voedsel and smaak, each with its translation, gender and an example sentence so you can see the word in context.

Because these words come up constantly in daily conversation, they are a high-value place to start or to fill gaps. Vocab Voyage uses spaced repetition and active typing practice — you see an English prompt and type the Dutch word yourself — so words like bestellen, koken and heerlijk move from passive recognition to something you can actually produce at a café or while cooking with Dutch friends.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Food & Drink Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 eten to eat verb We gaan eten in het restaurant.
2 lekker tasty adjective Dit eten is echt lekker en gezond.
3 watern. water noun Zorg ervoor dat je genoeg water drinkt.
4 papc. porridge noun De baby eet graag pap met een lepel.
5 koffiec. coffee noun Ik drink elke ochtend een kop koffie.
6 heerlijk delicious adjective Het eten was heerlijk en iedereen genoot.
7 drankjen. drink noun Zij bestelde een drankje in de bar.
8 theec. tea noun Ik drink graag thee in de ochtend.
9 wijnc. wine noun Hij drinkt graag een glas wijn bij het diner.
10 ijsc. ice noun Ik hou van ijs met chocolade.
11 restaurantc. restaurant noun We gaan vanavond naar een nieuw restaurant.
12 vleesn. meat noun Ik eet geen vlees meer.
13 bestellen to order verb Ik ga een pizza bestellen voor het diner.
14 lunchc. lunch noun We hebben een lekkere lunch in het park gegeten.
15 bierc. beer noun Hij drinkt graag een koud bier op een warme dag.
16 visc. fish noun Ze heeft een grote vis gevangen in de zee.
17 kipc. chicken noun We hebben een kip voor het diner gekocht.
18 ontbijtc. breakfast noun Ik eet graag havermout als ontbijt.
19 voedseln. food noun Gezond voedsel is belangrijk voor een goede levensstijl.
20 koken to cook verb Zij houdt ervan om te koken voor haar vrienden.
21 taartc. cake noun Zij bakt een heerlijke taart voor het feest.
22 opeten to eat up verb De kinderen willen de koekjes snel opeten.
23 drankc. drink noun Hij drinkt geen drank tijdens het werk.
24 biertjec. beer noun Laten we een biertje drinken op het terras.
25 smaakc. taste noun Deze taart heeft een heerlijke smaak van chocolade.
26 voeden to feed verb Het is belangrijk om goed te voeden voor je gezondheid.
27 melkc. milk noun Ik drink elke ochtend een glas melk.
28 dinerc. dinner noun We hebben een heerlijk diner gehad met vrienden gisteravond.
29 pizzac. pizza noun Ik bestel een grote pizza voor het diner vanavond.
30 kaasc. cheese noun Ik eet graag kaas op mijn brood in de ochtend.
31 champagnec. champagne noun We vieren het met een glas champagne.
32 broodn. bread noun Ik koop vers brood bij de bakker om de hoek.
33 bakken to bake verb Ik ga een taart bakken voor het feestje.
34 whiskyn. whisky noun Hij drinkt graag een glas whisky na het diner.
35 suikerc. sugar noun Ik voeg suiker toe aan mijn koffie voor de smaak.
36 proeven to taste verb Ik wil graag proeven van de nieuwe gerechten in het restaurant.
37 lunchen to lunch verb We gaan lunchen in dat nieuwe restaurant om de hoek.
38 etentjec. dinner noun We hebben een gezellig etentje georganiseerd voor vrienden.
39 broodjec. sandwich noun Ik neem een broodje mee voor de lunch.
40 smaken to taste verb Kinderen smaken vaak zoetigheid.
41 snoepc. candy noun De kinderen kregen snoep tijdens het feest.
42 hakken to chop verb Ze houdt ervan om hoge hakken te dragen naar feestjes.
43 receptc. recipe noun Dit recept is eenvoudig te volgen.
44 soepc. soup noun Zij maakt een lekkere soep voor het diner.
45 zoutc. salt noun Voeg wat zout toe aan de soep voor meer smaak.
46 zoet sweet adjective De cake is heel zoet en smaakt heerlijk.
47 appelc. apple noun Ik eet elke dag een appel voor de gezondheid.
48 beetc. beet noun Hij had een grote beet van de vis aan de haak.
49 bereiden to prepare verb We moeten het eten bereiden voor het feest.
50 chocoladec. chocolate noun Ze houdt van chocolade en eet het elke dag.
51 maalc. meal noun We hebben een heerlijk maal gegeten vanavond.
52 fruitn. fruit noun Ik eet elke dag wat fruit voor een gezonde levensstijl.
53 kaarsc. candles noun Zet de kaars op de tafel voor het diner.
54 melc. milk noun Ik voeg mel toe aan mijn koffie.
55 zeepc. soap noun Ik gebruik zeep om mijn handen te wassen.
56 panc. pan noun Ik heb de pan op het fornuis gezet.
57 hamburgerc. hamburger noun Ik heb een lekkere hamburger besteld voor het diner.
58 smeren to spread verb Ik ga boter smeren op mijn brood.
59 mexicaans mexican adjective Ik hou van mexicaans eten, vooral taco's.
60 ribc. ribs noun Ze heeft een pijnlijke rib na het vallen.
61 donutc. donuts noun Ik heb een donut gekocht voor het ontbijt.
62 grieks greek adjective Ik hou van grieks eten, vooral gyros.
63 hapjec. snack noun Zou je een hapje willen nemen voor de lunch?
64 nootc. nuts noun Ik heb een noot gegeten als tussendoortje.
65 ontbijten to have breakfast verb We willen vroeg ontbijten voordat we vertrekken.
66 toastc. toast noun Ik heb een toast gemaakt voor het feest.
67 kalkoenc. turkey noun We eten kalkoen met kerst als traditie.
68 wodkac. vodka noun Hij bestelde een glas wodka in de bar.
69 menuc. menu noun Het menu biedt veel lekkere gerechten.
70 groentec. vegetables noun Ik eet elke dag veel groente voor een gezonde levensstijl.
71 boterc. butter noun Ik smeer boter op mijn brood in de ochtend.
72 citroenc. lemon noun Een citroen is zuur, maar lekker in water.
73 cakec. cake noun Zij bakt een heerlijke cake voor het feest.
74 cokec. coke noun Hij bestelde een coke bij het restaurant.
75 avondetenc. dinner noun We hebben pasta als avondeten gemaakt vanavond.
76 dieetc. diet noun Hij volgt een strikt dieet om af te vallen.
77 sausc. sauce noun Ik heb een lekkere saus voor de pasta gemaakt.
78 eitjec. egg noun Ik heb een eitje gekookt voor het ontbijt.
79 banaanc. banana noun Hij eet elke ochtend een banaan bij zijn ontbijt.
80 mengen to mix verb Je moet de ingrediënten goed mengen voor het recept.
81 ijsjec. ice cream noun Ik heb een lekker ijsje gekocht voor de zomer.
82 gerechtc. dish noun Dit gerecht is populair in de Italiaanse keuken.
83 pannenkoekc. pancakes noun Ik maak een grote pannenkoek voor het ontbijt.
84 cocktailc. cocktail noun Ze bestelde een fruitige cocktail in de bar.
85 saladec. salad noun Ik maak een frisse salade voor de lunch.
86 hamc. ham noun Ik heb een sandwich met ham en kaas gemaakt.
87 rijstc. rice noun We eten vaak rijst met groenten en vlees.
88 hapc. bite noun Neem een hap van de taart, hij is heerlijk!
89 colac. cola noun Ik drink graag een cola bij mijn pizza.
90 likken to lick verb De hond begon zijn poot te likken na de wandeling.
91 bitter bitter adjective Deze koffie is te bitter voor mijn smaak.
92 sandwichc. sandwich noun Hij nam een sandwich mee naar het werk voor de lunch.
93 worstc. sausage noun Ik eet graag een worst op mijn brood.
94 hotdogc. hot dog noun Ik bestel een hotdog met mosterd en uien.
95 koolc. cabbage noun Ik eet graag kool in mijn salade.
96 honingc. honey noun Ik doe graag honing in mijn thee.
97 salc. salt noun De sal is een belangrijk ingrediënt in dit recept.
98 sapc. juice noun Ik drink graag vers geperst sap bij het ontbijt.
99 chocolac. chocolate noun Ik hou van chocola met noten erin.
100 chilic. chili noun Ik voeg wat chili toe voor extra smaak.
101 popcornc. popcorn noun We aten popcorn tijdens de film.
102 kreeftc. lobster noun We hebben kreeft gegeten tijdens het diner.
103 opstellen to draw up verb Ze moet een verslag opstellen voor school.
104 tequilac. tequila noun Hij bestelde een shot tequila in de bar.
105 steakc. steak noun Ik bestel een medium rare steak voor het diner.
106 barbecuec. barbecue noun We gaan dit weekend een barbecue houden in de achtertuin.
107 dineren to dine verb We willen vanavond dineren in dat nieuwe restaurant.
108 peperc. pepper noun Voeg wat peper toe aan de soep voor extra smaak.
109 mexicaanc. mexican noun De mexicaan serveert heerlijke taco's en burrito's.
110 boterhamc. sandwich noun Ik neem een boterham mee naar school voor de lunch.
111 raapc. turnip noun Een raap is een groente die vaak in salades wordt gebruikt.
112 biefstukc. steak noun Ik bestel een biefstuk in het restaurant.
113 limonadec. lemonade noun Ik drink graag limonade in de zomer.
114 dessertc. dessert noun Het dessert was een heerlijke chocoladecake.
115 gekookt cooked adjective Ik heb gekookt ei voor het ontbijt gemaakt.
116 ginc. gin noun Ik drink graag een glas gin met tonic.
117 toetjen. dessert noun Na het diner hebben we een heerlijk toetje gegeten.
118 spekc. bacon noun Ik eet graag spek op mijn boterham.
119 gehaktn. minced meat noun Ik heb gehakt gekocht voor de spaghetti.
120 whiskeyn. whiskey noun Hij drinkt graag een glas whiskey na het diner.
121 vega vegan adjective Dit restaurant heeft een vega menu voor vegetariërs.
122 sherryc. sherry noun Zij drinkt graag een glas sherry bij het diner.
123 zalmc. salmon noun Ik heb zalm gekocht voor het avondeten.
124 jamc. jam noun Ik smeer jam op mijn brood in de ochtend.
125 organisch organic adjective Hij eet alleen organisch voedsel voor een gezonde levensstijl.
126 pastac. pasta noun Ik heb vanavond pasta met tomatensaus gekookt.
127 kauwgomc. chewing gum noun Zij kauwt op kauwgom terwijl ze studeert.
128 puddingc. pudding noun De pudding is mijn favoriete dessert.
129 limoc. lemonade noun Ik drink graag een glas limo op een warme dag.
130 sushic. sushi noun Ik hou van sushi met zalm en avocado.
131 pindac. peanut noun Een pinda is een populaire snack in Nederland.
132 spaghettic. spaghetti noun Ik maak vanavond spaghetti met tomatensaus.
133 tacoc. taco noun We hebben taco met veel groenten en kaas gemaakt.
134 slokc. sip noun Neem een slok water als je dorst hebt.
135 pindakaasc. peanut butter noun Ik eet graag brood met pindakaas en jam.
136 garnalenc. shrimp noun We hebben verse garnalen gekocht voor het diner.
137 toostc. toast noun Laten we een toost uitbrengen op het nieuwe jaar.
138 baconc. bacon noun Ik eet graag bacon bij mijn ontbijt met eieren.
139 cognacc. cognac noun Hij drinkt graag een glas cognac na het diner.
140 slachten to slaughter verb Boeren moeten soms dieren slachten voor voedsel.
141 picknickc. picnic noun We hebben een picknick in het park georganiseerd.
142 voedingc. nutrition noun Gezonde voeding is belangrijk voor je welzijn.
143 tonijnc. tuna noun Ik eet graag een salade met tonijn en avocado.
144 candyc. candy noun De kinderen kregen candy tijdens het feest.
145 ketchupc. ketchup noun Ik doe ketchup op mijn frietjes.
146 geroosterd roasted adjective Ik eet graag geroosterd brood met jam.
147 crèmec. cream noun Ze smeerde crème op haar gezicht.
148 aspirinec. aspirin noun Neem een aspirine als je hoofdpijn hebt.
149 graanc. grain noun Het graan wordt gebruikt om brood te maken.
150 bourbonc. bourbon noun Hij drinkt graag een glas bourbon na het diner.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

Are most Dutch food and drink words de or het words?

Many are de words, such as de koffie, de thee, de wijn, de kip and de vis, but there are plenty of het words too, including het water, het vlees, het voedsel and het ontbijt. It is worth learning the gender with each word rather than assuming a pattern, and this list gives the gender for every noun.

What is the difference between lekker and heerlijk?

Both describe food and drink positively: lekker means tasty and is the more common, everyday choice, while heerlijk means delicious and usually carries a bit more enthusiasm. Seeing both in example sentences helps you get a feel for when each one fits.

How should I practise this vocabulary so it actually sticks?

Use active recall rather than just reading: type the Dutch word from an English prompt, as you do in Vocab Voyage, and let spaced repetition bring words like bestellen, opeten and drankje back before you forget them. Combining nouns with related verbs, such as koken with vis or bestellen with lunch, helps the words settle as usable phrases.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password