Dutch School & Learning Vocabulary

Dutch school vocabulary mixes everyday classroom words with academic terms that closely resemble their English counterparts, so part of this list will feel familiar from the start. It covers the words you meet from primary school through university: people (leraar, leerling, professor), places (school, klas, universiteit, bibliotheek), and the actions and materials of learning (leren, studeren, huiswerk, opdracht, proef).

Dutch nouns carry a gender that decides whether you use de or het, so this topic is a good place to build the habit of learning every noun together with its article. The list also includes a few near-synonyms, such as studeren and bestuderen, so a little attention now saves confusion later.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch School & Learning Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 leren to learn verb Ik wil leren hoe te koken.
2 schoolc. school noun De school begint om acht uur in de ochtend.
3 lezen to read verb Ik ga een boek lezen voor het slapen.
4 lesc. lesson noun De les begint om negen uur in de ochtend.
5 meesterc. master noun De meester gaf ons veel interessante opdrachten.
6 professorc. professor noun De professor gaf een interessante lezing over de geschiedenis.
7 studeren to study verb Ik moet voor mijn examen studeren deze week.
8 kennisc. knowledge noun Hij heeft veel kennis over geschiedenis.
9 opdrachtc. assignment noun Ik heb een opdracht gekregen van mijn leraar.
10 klasc. class noun De klas was druk tijdens de les.
11 universiteitc. university noun Ze studeert aan de universiteit van Amsterdam.
12 leraarc. teacher noun De leraar legt de les duidelijk uit.
13 wetenschapc. science noun De wetenschap is belangrijk voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën.
14 middelbaar secondary adjective Hij zit op een middelbaar school in de stad.
15 leerlingc. student noun De leerling vroeg om hulp bij zijn huiswerk.
16 studiec. study noun Mijn studie is gericht op duurzame energie.
17 bestuderen to study verb Ze wil de sterren bestuderen voor haar project.
18 huiswerkn. homework noun Ik moet mijn huiswerk voor morgen afmaken.
19 bibliotheekc. library noun De bibliotheek is een rustige plek om boeken te lezen.
20 opleidingc. education noun Ze volgt een opleiding voor haar carrière.
21 instructiec. instructions noun Volg de instructie op de verpakking.
22 proefc. test noun De proef was een succes.
23 vakc. subject noun Dit vak is mijn favoriete onderwerp op school.
24 collegec. college noun Ik heb morgen een college over geschiedenis.
25 auditiec. audition noun Ze ging naar de auditie voor de hoofdrol in de film.
26 examenc. exam noun Ik moet me voorbereiden op mijn examen volgende week.
27 wiskundec. mathematics noun Ze houdt van wiskunde en vindt het leuk om te rekenen.
28 voorlezen to read aloud verb Zij houdt ervan om haar kinderen te voorlezen voor het slapen.
29 diplomac. diploma noun Hij heeft zijn diploma gehaald na vier jaar studeren.
30 leraresc. female teacher noun De lerares gaf ons veel nuttige tips voor de toets.
31 academiec. academy noun Ze studeert aan de kunst academie in Amsterdam.
32 campusc. campus noun De studenten lopen over de campus na de les.
33 lezingc. lecture noun De lezing was erg interessant en leerzaam.
34 opgeleid educated adjective Hij is goed opgeleid in zijn vak.
35 onderwijsc. education noun Kwaliteit van onderwijs is belangrijk voor de toekomst van kinderen.
36 cursusc. course noun Ze volgt een cursus om beter te leren koken.
37 geleerdec. scholar noun De geleerde gaf een interessante lezing.
38 semesterc. semester noun Dit is mijn laatste semester van het schooljaar.
39 decaanc. dean noun De decaan helpt studenten met hun studieplannen.
40 latijnc. latin noun Hij studeert latijn als onderdeel van zijn opleiding.
41 cadetc. cadet noun De cadet leert veel tijdens de training.
42 lesgeven to teach verb Hij wil graag lesgeven aan jonge kinderen.
43 biologiec. biology noun In de klas leren we over planten en dieren in biologie.
44 evaluatiec. evaluation noun De leraar gaf een positieve evaluatie van het project.
45 vaardigheidc. skill noun Deze vaardigheid is belangrijk voor het vinden van een goede baan.
46 beoordelingc. assessment noun De beoordeling van het project was positief.
47 natuurkundec. physics noun Hij studeert natuurkunde aan de universiteit.
48 chemiec. chemistry noun De chemie tussen hen was onmiddellijk.
49 kleuterschoolc. kindergarten noun Mijn dochter gaat volgend jaar naar de kleuterschool in de buurt.
50 afstuderen to graduate verb Hij wil volgend jaar afstuderen aan de universiteit.
51 scheikundec. chemistry noun Ik heb morgen een toets over scheikunde.
52 basisschoolc. primary school noun Mijn zoon gaat elke dag naar de basisschool in de buurt.
53 kostschoolc. boarding school noun Hij ging naar een kostschool voor zijn studie.
54 schoolbalc. school ball noun Het schoolbal is altijd een groot feest voor de leerlingen.
55 woordenboekc. dictionary noun Ik gebruik een woordenboek om nieuwe woorden te leren.
56 nablijven to stay after school verb Hij moet nablijven omdat hij te laat was.
57 studiebeursc. scholarship noun Ze kreeg een studiebeurs om in het buitenland te studeren.
58 faculteitc. faculty noun De faculteit van de universiteit biedt veel verschillende opleidingen aan.
59 wiskundigec. mathematician noun De wiskundige loste het probleem snel op.
60 quizc. quiz noun We deden mee aan een quiz tijdens het feest.
61 jaarboekn. yearbook noun Het jaarboek van de school is dit jaar heel mooi.
62 schoolhoofdc. principal noun Het schoolhoofd gaf een inspirerende toespraak tijdens de opening.
63 fysicac. physics noun Hij studeert fysica aan de universiteit.
64 biebc. library noun Ik ga naar de bieb om een boek te lenen.
65 spijbelen to skip school verb Het is niet goed om te spijbelen van school zonder reden.
66 schooldagc. school day noun Vandaag is een lange schooldag voor de leerlingen.
67 proefwerkc. test noun Morgen hebben we een proefwerk wiskunde.
68 onderwijzen to teach verb De leraar zal ons onderwijzen over geschiedenis.
69 essayc. essay noun Ik moet een essay schrijven voor school.
70 instructeurc. instructor noun De instructeur gaf duidelijke uitleg tijdens de les.
71 academisch academic adjective Hij heeft een academisch diploma behaald aan de universiteit.
72 bijlesc. tutoring noun Hij krijgt bijles voor wiskunde na school.
73 spellen to spell verb Kinderen leren spellen op school.
74 schoolfeestc. school party noun Het schoolfeest was een groot succes met veel muziek en dans.
75 bibliothecarisc. librarian noun De bibliothecaris hielp me bij het vinden van het juiste boek.
76 schooljaarn. school year noun Het schooljaar begint in september en eindigt in juni.
77 hogeschoolc. university of applied sciences noun Hij studeert aan de hogeschool in Amsterdam.
78 ontleden to dissect verb We gaan het lichaam ontleden in de les.
79 scriptiec. thesis noun Ze werkt hard aan haar scriptie voor de universiteit.
80 werkstukn. paper noun Hij heeft een goed werkstuk voor school gemaakt.
81 proefschriftc. thesis noun Hij heeft zijn proefschrift met veel moeite geschreven.
82 eindexamenc. final exam noun Het eindexamen is een belangrijke mijlpaal voor studenten.
83 klaslokaalc. classroom noun De leerlingen zitten in het klaslokaal voor de les.
84 seminarc. seminar noun Het seminar begint om tien uur in de ochtend.
85 laatstejaarsc. final year student noun De laatstejaars studenten bereiden zich voor op hun examens.
86 leerkrachtc. teacher noun De leerkracht helpt de leerlingen met hun huiswerk.
87 spellingc. spelling noun Haar spelling is verbeterd na veel oefenen.
88 geslaagdec. graduate noun De geslaagde van de examens was hoger dan vorig jaar.
89 rechtenstudiec. law study noun Hij is bezig met een rechtenstudie aan de universiteit.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What's the difference between studeren and bestuderen?

Studeren is the broader verb, used for studying in general or for being enrolled at a university. Bestuderen takes a specific object and means to study or examine one particular thing closely.

Why is it het huiswerk when most school words take de?

Dutch gender is not fully predictable: huiswerk is neuter and so takes het, while most other nouns in this list are common gender and take de. It is worth memorising huiswerk with its article as an exception.

How do les and vak differ?

Les is a lesson, that is, a single teaching session, while vak is a subject you study over a longer period. Learning them as a contrasting pair makes both easier to recall.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password