500 Dutch Words You Already Know

Dutch and English are close cousins, both West Germanic languages, and that shared ancestry shows up all over everyday vocabulary. Words like man, hand, water, and open look and mean almost exactly what an English speaker would expect, so you can start recognizing written and spoken Dutch far sooner than you might think.

The list below gathers these look-alikes and orders them by frequency, so the words you are most likely to meet come first, each with an example sentence. Skim for the ones you can already guess, then use the rest as a head start on real vocabulary work.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

500 Dutch Words You Already Know: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 goed good adjective Dit is een goed idee.
2 maken to make verb We moeten een plan maken.
3 manc. man noun De man liep snel naar huis.
4 vriendc. friend noun Hij is mijn beste vriend sinds de basisschool.
5 lang long adjective De weg is lang en kronkelig.
6 beter better adjective Ik voel me beter na een goede nachtrust.
7 werkc. work noun Zij heeft veel werk te doen vandaag.
8 handc. hand noun Hij steekt zijn hand op om te vragen.
9 probleemn. problem noun Het probleem is moeilijk op te lossen.
10 alle all adjective Ik heb alle boeken gelezen.
11 ideec. idea noun Dat is een leuk idee voor het feest.
12 paarc. pair noun Ik heb een paar boeken gelezen deze week.
13 weekc. week noun Volgende week gaan we op vakantie.
14 beste best adjective Dit is mijn beste vriend.
15 momentc. moment noun Wacht een moment, ik ben bijna klaar.
16 agentc. agent noun De agent hielp de mensen.
17 ordec. order noun Zorg ervoor dat alles in orde is voordat je begint.
18 open open adjective De deur is open, kom binnen.
19 schoolc. school noun De school begint om acht uur in de ochtend.
20 hulpc. help noun Ik heb hulp nodig met mijn huiswerk.
21 planc. plan noun We hebben een goed plan voor het weekend.
22 woordn. word noun Dat woord betekent veel voor mij.
23 later later adverb Ik bel je later om te vragen hoe het gaat.
24 watern. water noun Zorg ervoor dat je genoeg water drinkt.
25 babyc. baby noun De baby slaapt rustig in de wieg.
26 hartc. heart noun Hij heeft een groot hart voor dieren.
27 dollarc. dollar noun Een dollar is nu veel waard.
28 bedn. bed noun Ik heb een nieuw bed gekocht.
29 bloedc. blood noun Hij gaf bloed voor de test.
30 nummern. number noun Kun je me je telefoon nummer geven?
31 rond round adjective De bal is rond en rolt gemakkelijk.
32 hard hard adjective Hij werkt hard om zijn doelen te bereiken.
33 teamn. team noun Ons team heeft de wedstrijd gewonnen.
34 restc. rest noun Na het eten is er altijd nog een beetje rest over.
35 perfect perfect adjective Dit is de perfect gelegenheid om te beginnen.
36 normaal normal adjective Het is normaal om af en toe te ontspannen.
37 rustc. rest noun Neem even rust en ontspan.
38 jackc. jack noun Hij draagt een nieuw jack omdat het koud is.
39 informatiec. information noun Ik heb meer informatie nodig over dit onderwerp.
40 schipn. ship noun Het schip vaart naar een verre bestemming.
41 lichtn. light noun Het licht in de kamer is te fel.
42 persoonc. person noun Elke persoon heeft zijn eigen verhaal.
43 half half adjective Ik heb een half uur gewacht op de bus.
44 ok ok adjective Het is ok als je niet mee wilt gaan.
45 contactc. contact noun Zorg ervoor dat je contact met je vrienden houdt.
46 serieus serious adjective Hij is altijd serieus als het om werk gaat.
47 presidentc. president noun De president sprak tot het volk tijdens de ceremonie.
48 speciaal special adjective Dit cadeau is heel speciaal voor mijn verjaardag.
49 stapc. step noun Zet een stap naar de deur.
50 grondc. ground noun De grond is nat na de regen.
51 controlec. control noun Ik moet een controle doen van mijn huis.
52 pardonc. pardon noun Excuseer, ik heb een pardon nodig.
53 fantastisch fantastic adjective Het concert was fantastisch en iedereen genoot.
54 diep deep adjective Het water is diep genoeg om te zwemmen.
55 bandc. band noun De band speelt live muziek in het café.
56 bankc. bank noun Ik zit op de bank en lees een boek.
57 partnerc. partner noun Mijn partner en ik gaan samen op vakantie.
58 groepc. group noun De groep studenten werkt aan een project.
59 succesc. success noun Ik wens je veel succes met je examen.
60 pistoolc. pistol noun Hij droeg een pistool aan zijn zijde.
61 hoteln. hotel noun We verblijven in een mooi hotel aan het strand.
62 lijstc. list noun Ze heeft een lijst gemaakt van alle dingen die ze nodig heeft.
63 goudc. gold noun Ze droeg een ketting van goud om haar hals.
64 camerac. camera noun Ze nam een foto met haar nieuwe camera.
65 hopen to hope verb We moeten hopen op beter weer.
66 meterc. meter noun De meter geeft de afstand aan.
67 bootc. boat noun De boot vaart over de rivier.
68 warm warm adjective Het is vandaag heel warm, dus ik draag een T-shirt.
69 generaalc. general noun De generaal gaf een belangrijke toespraak.
70 dealc. deal noun Ze hebben een goede deal gesloten voor het huis.
71 monsterc. monster noun Het monster was groot en eng in de film.
72 planeetc. planet noun De aarde is een planeet in ons zonnestelsel.
73 computerc. computer noun Mijn computer is kapot en moet gerepareerd worden.
74 hongerc. hunger noun Na het sporten heb ik altijd honger.
75 sterc. star noun De ster straalt helder aan de nachtelijke hemel.
76 showc. show noun We gaan naar een leuke show vanavond.
77 kostc. cost noun De kost van het diner was hoger dan verwacht.
78 kolonelc. colonel noun De kolonel gaf het bevel aan zijn troepen.
79 clubc. club noun Hij gaat elke week naar een sport club.
80 cool cool adjective Dat nieuwe spel is echt cool om te spelen.
81 extra extra adjective Ik heb een extra boek gekocht voor de cursus.
82 systeemc. system noun Het systeem werkt niet goed vandaag.
83 eindc. end noun Het verhaal heeft een mooi eind dat iedereen blij maakt.
84 glasn. glass noun Zet het glas voorzichtig op de rand van de tafel.
85 respectc. respect noun Het is belangrijk om respect te tonen voor anderen.
86 barc. bar noun We gaan vanavond naar de bar om iets te drinken.
87 simpel simple adjective Het recept is heel simpel en snel te maken.
88 ringc. ring noun Ze droeg een mooie ring om haar vinger.
89 parkc. park noun We gaan morgen naar het park om te wandelen.
90 sergeantc. sergeant noun De sergeant gaf ons duidelijke instructies.
91 sheriffc. sheriff noun De sheriff kwam aanrijden met zijn auto om de situatie te bekijken.
92 totaal total adjective Het totaal aantal deelnemers was hoger dan verwacht.
93 inspecteurc. inspector noun De inspecteur onderzocht de zaak grondig.
94 weekendc. weekend noun Ik kijk uit naar het weekend om te ontspannen.
95 schotc. shot noun Hij maakte een prachtig schot in de wedstrijd.
96 testc. test noun De test was moeilijker dan ik had verwacht.
97 favoriet favorite adjective Dit is mijn favoriet boek aller tijden.
98 kilometerc. kilometer noun Het is nog vijf kilometer naar het dorp.
99 busc. bus noun De bus vertrekt om acht uur.
100 leiderc. leader noun De leider van het team is erg inspirerend.
101 excusesc. excuses noun Hij gaf zijn excuses voor het te laat komen.
102 taakc. task noun Mijn taak voor vandaag is het afmaken van het rapport.
103 appartementn. apartment noun Ze woont in een klein appartement in de stad.
104 beltc. belt noun Hij heeft een nieuwe belt gekocht voor zijn hond.
105 codec. code noun Voer de code in om toegang te krijgen.
106 officierc. officer noun De officier gaf een toespraak tijdens de ceremonie.
107 motorc. motor noun De motor van de auto is kapot.
108 professorc. professor noun De professor gaf een interessante lezing over de geschiedenis.
109 wonderc. wonder noun Het was een wonder dat hij het ongeluk overleefde.
110 treinc. train noun De trein vertrekt over vijf minuten.
111 beestc. beast noun Dat beest in de tuin is erg groot.
112 basisc. basis noun De basis van het probleem is duidelijk.
113 restaurantc. restaurant noun We gaan vanavond naar een nieuw restaurant.
114 groen green adjective De grasvelden zijn mooi groen.
115 lunchc. lunch noun We hebben een lekkere lunch in het park gegeten.
116 procesc. process noun Het proces van de aanvraag duurt meestal enkele weken.
117 machinec. machine noun De machine in de fabriek draait de hele dag.
118 rivierc. river noun De rivier stroomt rustig door het landschap.
119 bierc. beer noun Hij drinkt graag een koud bier op een warme dag.
120 dnac. dna noun Wetenschappers onderzoeken het dna van de plant.
121 officieel official adjective Het document is nu officieel goedgekeurd.
122 detectivec. detective noun De detective loste het mysterie op.
123 directeurc. director noun De directeur geeft altijd goede instructies.
124 labc. lab noun Ze werken in een lab voor biotechnologie.
125 videoc. video noun Ik heb een leuke video gezien op internet.
126 compleet complete adjective Het project is nu compleet en klaar voor presentatie.
127 programman. program noun Het nieuwe programma begint volgende week op televisie.
128 vormc. form noun De vorm van de tafel is rond en past goed in de kamer.
129 majoorc. major noun De majoor gaf ons instructies voor de oefening.
130 radioc. radio noun Zet de radio aan, ik wil naar muziek luisteren.
131 signaalc. signal noun Het signaal was zwak, dus we konden niet bellen.
132 taxic. taxi noun We namen een taxi naar het station.
133 medicijnenc. medicines noun Hij moet zijn medicijnen elke dag innemen.
134 chinees chinese adjective Ik hou van chinees eten, vooral rijst.
135 topc. top noun Dit is de top van de berg.
136 datec. date noun Ze heeft een leuke date gepland voor vanavond.
137 windc. wind noun De wind waait hard vandaag.
138 toiletc. toilet noun Waar is het toilet? Ik moet snel gaan.
139 startc. start noun De start van de race was spannend.
140 sexy sexy adjective Zij draagt een sexy jurk naar het feest.
141 captainc. captain noun De captain van het team gaf een inspirerende toespraak.
142 projectc. project noun Het project is bijna af en we zijn erg trots.
143 blind blind adjective Hij is blind geboren en kan niets zien.
144 super super adjective Dat was een super idee voor het feest!
145 kampc. camp noun We gaan dit jaar naar een kamp in de bossen.
146 magiec. magic noun De show was vol met magie en wonderlijke trucs.
147 fanc. fan noun Hij is een grote fan van die band.
148 mobiel mobile adjective Hij heeft een mobiel telefoon die altijd aanstaat.
149 contractc. contract noun Ze hebben een nieuw contract getekend voor het huis.
150 nerveus nervous adjective Ze was nerveus voor haar presentatie.
151 wondc. wound noun Hij heeft een wond op zijn arm na het vallen.
152 engelc. angel noun Ze lijkt wel een engel met haar mooie glimlach.
153 pilootc. pilot noun De piloot van het vliegtuig is ervaren.
154 juryc. jury noun De jury zal morgen de winnaar bekendmaken.
155 wolfc. wolf noun De wolf is een wild dier dat in bossen leeft.
156 truckc. truck noun De truck rijdt snel over de snelweg.
157 ministerc. minister noun De minister gaf een belangrijke toespraak.
158 drankc. drink noun Hij drinkt geen drank tijdens het werk.
159 nationaal national adjective Dit is een nationaal park met veel bezoekers.
160 illegaal illegal adjective Het is illegaal om zonder vergunning te bouwen.
161 tentc. tent noun We zetten de tent op voor het kampeertrip.
162 vampierc. vampire noun In het verhaal was de vampier erg angstaanjagend.
163 interessec. interest noun Hij heeft veel interesse in geschiedenis.
164 senatorc. senator noun De senator sprak over belangrijke kwesties in de vergadering.
165 stationc. station noun Het station is druk in de ochtend.
166 coachc. coach noun Onze coach helpt ons beter te worden.
167 centc. cent noun Dit snoepje kost maar één cent.
168 melkc. milk noun Ik drink elke ochtend een glas melk.
169 ratc. rat noun De rat liep snel over de straat en verdween in het donker.
170 smsc. sms noun Ik heb een sms gestuurd naar mijn vriend om hem te laten weten.
171 internetn. internet noun Ik gebruik het internet om informatie te vinden.
172 ambulancec. ambulance noun De ambulance arriveerde snel na het ongeluk op de snelweg.
173 alarmn. alarm noun Het alarm ging af midden in de nacht.
174 talentn. talent noun Zij heeft veel talent voor muziek en dans.
175 oceaanc. ocean noun De oceaan is diep en vol geheimen.
176 romantisch romantic adjective Ze hadden een romantisch diner bij kaarslicht.
177 dinerc. dinner noun We hebben een heerlijk diner gehad met vrienden gisteravond.
178 westc. west noun De zon gaat onder in het west, wat een prachtig gezicht is.
179 managerc. manager noun De manager van het team gaf ons belangrijke instructies.
180 kiloc. kilo noun Ik heb een kilo appels gekocht voor de taart.
181 stormc. storm noun De storm kwam onverwachts en veroorzaakte veel schade.
182 pizzac. pizza noun Ik bestel een grote pizza voor het diner vanavond.
183 virusn. virus noun Het virus verspreidt zich snel in de stad.
184 garagec. garage noun Mijn auto staat in de garage naast het huis.
185 sociaal social adjective Zij is een sociaal persoon die graag met anderen omgaat.
186 uniformn. uniform noun De leerlingen dragen een uniform op school.
187 winterc. winter noun In de winter sneeuwt het vaak hier.
188 exc. ex noun Mijn ex woont nu in een andere stad.
189 potc. pot noun Zet de bloemen in een mooie pot.
190 modelc. model noun Ze is een model voor het nieuwe kledingmerk.
191 terroristc. terrorists noun De terrorist werd door de politie gearresteerd na de aanslag.
192 marktc. market noun Elke zaterdag ga ik naar de markt om verse groenten te kopen.
193 materiaaln. material noun Dit materiaal is perfect voor het maken van meubels.
194 shirtc. shirt noun Hij draagt een nieuw shirt naar het feest.
195 assistentc. assistant noun De assistent helpt de leraar met de lessen.
196 plusc. plus noun De plus van deze aanbieding is dat het gratis is.
197 emotioneel emotional adjective Het afscheid was erg emotioneel voor iedereen.
198 gasc. gas noun Zorg ervoor dat je het gas niet vergeet uit te zetten.
199 tunnelc. tunnel noun De tunnel onder de rivier is erg diep.
200 e-mailc. email noun Ik heb je e-mail ontvangen en zal snel antwoorden.
201 tankc. tank noun De auto heeft een lege tank en moet worden bijgevuld.
202 haten to hate verb Sommige mensen haten het om in de regen te lopen.
203 wild wild adjective De dieren in het bos zijn wild.
204 marinec. marine noun Hij werkt voor de marine van Nederland.
205 champagnec. champagne noun We vieren het met een glas champagne.
206 terreinc. terrain noun Het terrein is gesloten voor bezoekers tijdens de renovatie.
207 pensioenn. pension noun Ze kijkt uit naar haar pensioen na jarenlang werken.
208 reputatiec. reputation noun Zijn reputatie als goede chef is bekend in de stad.
209 tipc. tip noun Hij gaf me een goede tip voor het oplossen van het probleem.
210 alibin. alibi noun Hij had een sterk alibi voor de tijd van de misdaad.
211 whiskyn. whisky noun Hij drinkt graag een glas whisky na het diner.
212 universumn. universe noun Het universum is enorm en vol mysteries.
213 racec. race noun De race begint om drie uur in de middag.
214 professioneel professional adjective Hij heeft een professioneel houding tijdens de vergadering.
215 online online adjective We kunnen de cursus online volgen vanuit huis.
216 expertc. expert noun De dokter is een expert op het gebied van hartziekten.
217 technologiec. technology noun De nieuwe technologie verandert de manier waarop we communiceren.
218 chipc. chip noun De computer heeft een nieuwe chip nodig.
219 routec. route noun We moeten de beste route naar het strand vinden.
220 effectc. effect noun Het medicijn heeft een snel effect op de patiënt.
221 interviewc. interview noun Ze had een interview voor de baan van haar dromen.
222 internationaal international adjective Het bedrijf heeft internationaal klanten over de hele wereld.
223 origineel original adjective Dit schilderij is heel origineel en uniek.
224 trainingc. training noun Ze volgt een training voor haar nieuwe baan.
225 helikopterc. helicopter noun De helikopter landde op het dak van het gebouw.
226 experimentc. experiment noun Het experiment was succesvol en leverde interessante resultaten op.
227 alcoholc. alcohol noun Hij drinkt geen alcohol om gezond te blijven.
228 datac. data noun De data van het onderzoek zijn erg interessant.
229 financieel financial adjective Hij heeft financieel advies nodig voor zijn bedrijf.
230 mediac. media noun De media speelt een grote rol in de samenleving.
231 fortc. fort noun Het oude fort staat op een heuvel met uitzicht.
232 generatiec. generation noun Elke generatie heeft zijn eigen uitdagingen en kansen.
233 breinc. brain noun Je brein heeft veel informatie nodig om goed te functioneren.
234 robotc. robot noun De robot kan verschillende taken in huis uitvoeren.
235 journalistc. journalist noun De journalist interviewde de burgemeester over het project.
236 blokc. block noun Ze schreef haar huiswerk in een blok notitieboek.
237 penc. pen noun Zij schrijft haar gedachten op met een blauwe pen.
238 metaaln. metal noun Dit voorwerp is gemaakt van sterk metaal.
239 nestc. nest noun De vogel bouwt een nest in de boom.
240 zandc. sand noun Het zand op het strand is warm en fijn.
241 populair popular adjective Dat restaurant is heel populair onder jongeren.
242 activiteitc. activities noun De school organiseert een leuke activiteit voor de leerlingen.
243 constant constant adjective Hij is constant bezig met zijn studie.
244 modern modern adjective Dit gebouw is erg modern en heeft veel grote ramen.
245 recent recent adjective Dit artikel is recent gepubliceerd in de krant.
246 leverc. liver noun De lever is een belangrijk orgaan.
247 legendec. legend noun De legende vertelt over een dappere ridder.
248 blond blonde adjective Hij heeft blond haar dat in de zon schittert.
249 exact exact adjective Ik wil de exact tijd weten waarop we vertrekken.
250 museumc. museum noun We bezoeken het museum dit weekend.
251 tijgerc. tiger noun De tijger is een krachtig en mooi dier.
252 sportc. sport noun Hij houdt van sport en gaat vaak naar de gym.
253 plat flat adjective De taart is helemaal plat en niet meer hoog.
254 explosiefc. explosives noun Het explosief was zeer krachtig.
255 extreem extreme adjective Het weer was extreem koud deze winter.
256 symbooln. symbol noun De duif is een symbool van vrede.
257 grasc. grass noun Het gras is groen en groeit snel in de zomer.
258 seriec. series noun Ik kijk elke week naar dezelfde serie op tv.
259 incidentc. incident noun Het incident gebeurde in het centrum van de stad.
260 tapec. tape noun Ik heb tape nodig om de doos dicht te maken.
261 ideaal ideal adjective Dit is de ideaal plek voor een picknick.
262 scoren to score verb Het is belangrijk om goed te scoren tijdens de wedstrijd.
263 ticketc. ticket noun Ik heb een ticket gekocht voor het concert vanavond.
264 netwerkc. network noun Hij heeft een groot netwerk van contacten.
265 federale federal adjective De federale overheid heeft nieuwe regels ingevoerd.
266 connectiec. connection noun Ik heb een goede connectie met mijn collega's.
267 specifiek specific adjective Kun je me een specifiek voorbeeld geven?
268 studioc. studio noun Hij werkt in een muziek studio in de stad.
269 live live adjective Het concert was live en heel spannend.
270 brave brave adjective De brave hond luisterde goed naar zijn baas.
271 centrale central adjective De centrale verwarming houdt het huis warm.
272 lampc. lamp noun Zet de lamp aan als het donker is.
273 titelc. title noun De titel van het boek is erg interessant.
274 admiraalsc. admiral noun De admiraals van de vloot waren aanwezig bij de ceremonie.
275 discussiec. discussion noun Er was een interessante discussie over het onderwerp.
276 stressc. stress noun Te veel werk kan leiden tot stress.
277 tempelc. temple noun De tempel is een belangrijke plaats voor de gelovigen.
278 schemac. scheme noun Het nieuwe schema helpt ons om beter te plannen.
279 proceduren. procedure noun Volg de procedure stap voor stap.
280 productn. product noun Dit product is van hoge kwaliteit.
281 zonec. zone noun Dit is een rustige zone waar je kunt wandelen.
282 temperatuurc. temperature noun De temperatuur is vandaag hoger dan gisteren.
283 soepc. soup noun Zij maakt een lekkere soep voor het diner.
284 green green adjective De green kleur is rustgevend.
285 chaosc. chaos noun Na de storm was er veel chaos in de stad, met omgevallen bomen en kapotte ramen.
286 teddyc. teddy noun Ze slaapt elke nacht met haar favoriete teddy in bed.
287 affairec. affair noun Ze had een geheime affaire met een collega.
288 tonc. ton noun De vrachtwagen kan tot een ton aan goederen vervoeren.
289 visioenc. vision noun Hij had een visioen van een betere toekomst voor de wereld.
290 clownc. clown noun De clown maakte de kinderen aan het lachen.
291 staren to stare verb Hij bleef staren naar de sterren.
292 zombiec. zombie noun De film gaat over een zombie apocalyps.
293 collegec. college noun Ik heb morgen een college over geschiedenis.
294 humorc. humor noun Ze heeft een geweldige humor en maakt iedereen aan het lachen.
295 theatern. theater noun We gaan vanavond naar het theater om een nieuwe film te zien.
296 intelligent intelligent adjective Zij is een zeer intelligent student.
297 appelc. apple noun Ik eet elke dag een appel voor de gezondheid.
298 periodec. period noun Deze cursus duurt een lange periode van zes maanden.
299 concertc. concert noun Het concert begint om acht uur vanavond.
300 principec. principle noun Volgens het principe moeten we eerlijk zijn.
301 communicatiec. communication noun Goede communicatie is essentieel voor een succesvol team.
302 complimentc. compliment noun Ze gaf hem een compliment voor zijn mooie presentatie.
303 comac. coma noun Hij kwam uit een lange coma na het ongeluk.
304 beetc. beet noun Hij had een grote beet van de vis aan de haak.
305 casinoc. casino noun Ze gingen naar het casino om te gokken en te genieten.
306 applausc. applause noun Na het optreden kreeg de band veel applaus van het publiek.
307 massac. mass noun Er was een grote massa mensen op het festival.
308 informantc. informant noun De informant gaf belangrijke informatie aan de politie.
309 statusc. status noun Hij heeft een hoge status in de maatschappij.
310 televisiec. television noun We kijken elke avond naar de televisie voor het nieuws.
311 setc. set noun Ik heb een nieuwe set borden gekocht voor het diner.
312 cowboyc. cowboy noun De cowboy rijdt op zijn paard door de woestijn.
313 euroc. euro noun Dit kost vijftig euro in de winkel.
314 checkc. check noun Vergeet niet de check voor je bestelling.
315 satellietc. satellite noun De satelliet draait om de aarde en stuurt beelden naar ons toe.
316 vlagc. flag noun De vlag wappert in de wind boven het gebouw.
317 crisisc. crisis noun De economische crisis heeft veel mensen getroffen.
318 websitec. website noun Ik heb een nieuwe website gemaakt voor mijn bedrijf.
319 methodec. method noun Deze methode werkt beter dan de vorige.
320 junic. june noun In juni gaan we op vakantie naar Spanje.
321 septemberc. september noun De school begint weer in september.
322 linkc. link noun Klik op de link om meer informatie te krijgen.
323 agendac. agenda noun Schrijf het in je agenda zodat je het niet vergeet.
324 nazic. nazi noun De nazi was verantwoordelijk voor veel leed in de oorlog.
325 laptopc. laptop noun Ik gebruik mijn laptop om te studeren en te werken.
326 ambassadeurc. ambassador noun De ambassadeur vertegenwoordigt ons land in het buitenland.
327 dealerc. dealer noun De dealer verkocht verschillende soorten auto's.
328 plasticc. plastic noun Dit zakje is gemaakt van plastic en is niet biologisch afbreekbaar.
329 commandoc. commando noun Het commando voerde de missie succesvol uit.
330 undercover undercover adjective De agent werkte undercover om de bende te ontmaskeren.
331 motelc. motel noun We verbleven in een motel langs de snelweg.
332 centimeterc. centimeter noun De tafel is 120 centimeter lang.
333 profieln. profile noun Zorg ervoor dat je profiel compleet is op sociale media.
334 scanc. scan noun Ik moet een scan maken van dit document.
335 alternatiefc. alternative noun We moeten een alternatief vinden voor het probleem.
336 timingn. timing noun Je timing was perfect voor die grap.
337 penisc. penis noun De penis is een belangrijk onderdeel van het mannelijke lichaam.
338 chocoladec. chocolate noun Ze houdt van chocolade en eet het elke dag.
339 loserc. loser noun Hij voelt zich een loser omdat hij niet is uitgenodigd.
340 forensisch forensic adjective De forensisch onderzoeker vond belangrijke aanwijzingen.
341 genetisch genetic adjective De ziekte heeft een genetisch aspect dat we moeten onderzoeken.
342 conclusiec. conclusion noun De conclusie van het onderzoek was verrassend.
343 pastoorc. pastor noun De pastoor houdt elke zondag een dienst in de kerk.
344 revolutiec. revolution noun De revolutie veranderde het land voor altijd.
345 dramac. drama noun Het drama op het toneel was erg emotioneel.
346 maalc. meal noun We hebben een heerlijk maal gegeten vanavond.
347 instinctc. instinct noun Haar instinct vertelde haar dat ze voorzichtig moest zijn.
348 objectc. object noun Dit object is erg waardevol voor de tentoonstelling.
349 fruitn. fruit noun Ik eet elke dag wat fruit voor een gezonde levensstijl.
350 protocolc. protocol noun Volg het protocol tijdens de vergadering.
351 legaal legal adjective Het is legaal om in Nederland cannabis te kopen.
352 korporaalc. corporal noun De korporaal gaf zijn soldaten instructies voor de oefening.
353 stijf stiff adjective De deur is zo stijf dat ik hem niet kan openen.
354 japanse japanese adjective Hij houdt van japanse cultuur en eten.
355 combinatiec. combination noun Deze combinatie van kleuren is heel mooi.
356 artiestc. artist noun De artiest schilderde een prachtig landschap.
357 standaardc. standard noun Dit is de standaard voor kwaliteit in ons bedrijf.
358 heroïnec. heroin noun Het gebruik van heroïne is gevaarlijk voor de gezondheid.
359 recordc. record noun Hij heeft een nieuw record gevestigd in de race.
360 nucleair nuclear adjective De nucleair energie is een belangrijk onderwerp.
361 bloedingc. bleeding noun Een ernstige bloeding kan levensbedreigend zijn.
362 frontc. front noun Het front van het gebouw is prachtig.
363 complex complex adjective Het probleem is erg complex en moeilijk op te lossen.
364 lagerc. lager noun De lager is een belangrijk onderdeel van de school.
365 hamerc. hammer noun Gebruik de hamer om de spijkers in de muur te slaan.
366 t-shirtc. t-shirt noun Hij droeg een wit t-shirt met een grappige tekst.
367 make-upc. makeup noun Zij draagt altijd veel make-up als ze uitgaat.
368 strategiec. strategy noun Onze strategie is om vroeg te beginnen.
369 breukc. break noun De breuk in het glas is groot.
370 automatisch automatic adjective De deuren gaan automatisch open als je dichtbij komt.
371 pianoc. piano noun Zij speelt elke zondag op de piano.
372 puppyc. puppy noun De puppy speelt graag met zijn speelgoed.
373 maffiac. mafia noun De film gaat over de maffia in de grote stad.
374 comfortabel comfortable adjective Deze stoel zit heel comfortabel en is perfect voor lange uren.
375 accentc. accent noun Hij heeft een mooi accent als hij spreekt.
376 condoomc. condom noun Het is belangrijk om een condoom te gebruiken voor bescherming.
377 congresc. congress noun Het jaarlijkse congres is belangrijk voor alle leden van de organisatie.
378 junglec. jungle noun De jungle is vol met exotische dieren en planten.
379 avenuec. avenue noun De winkel ligt aan een drukke avenue in de stad.
380 panc. pan noun Ik heb de pan op het fornuis gezet.
381 cocaïnec. cocaine noun Het gebruik van cocaïne is illegaal en gevaarlijk.
382 bondc. bond noun De bond van sporters organiseert het toernooi.
383 defensiec. defense noun De defensie zorgt voor de veiligheid van het land.
384 grazen to graze verb De koeien gaan in de zomer grazen op het veld.
385 potentieel potential adjective Dit project heeft veel potentieel voor groei.
386 politiemanc. policeman noun De politieman hielp de verloren kinderen.
387 scriptc. script noun Hij heeft het script voor de film zelf geschreven.
388 hamburgerc. hamburger noun Ik heb een lekkere hamburger besteld voor het diner.
389 freakc. freak noun Hij is een echte freak als het om computers gaat.
390 coördinatenc. coordinates noun De coördinaten van de locatie zijn belangrijk voor de navigatie.
391 tumorc. tumor noun De dokter ontdekte een tumor in zijn buik.
392 trauman. trauma noun Hij heeft een trauma van zijn kindertijd.
393 districtc. district noun Dit district heeft veel mooie parken.
394 arrestn. arrest noun Het arrest van de verdachte was onverwacht.
395 radarc. radar noun De radar helpt bij het vinden van vliegtuigen.
396 openingc. opening noun De opening van het nieuwe museum was een groot feest.
397 mexicaans mexican adjective Ik hou van mexicaans eten, vooral taco's.
398 wormc. worm noun Een worm kruipt door de aarde.
399 regentc. regent noun De regent heeft een grote hoed op om droog te blijven.
400 psychopaatc. psychopath noun De film gaat over een psychopaat die mensen achtervolgt.
401 stafc. staff noun De staf van de organisatie is erg professioneel.
402 echon. echo noun De echo weerklonk door de bergen.
403 termc. term noun De term wordt vaak gebruikt in de wetenschap.
404 donutc. donuts noun Ik heb een donut gekocht voor het ontbijt.
405 circusc. circus noun Het circus komt volgende week naar de stad.
406 gangsterc. gangster noun De film gaat over een gangster in de stad.
407 christen to christen verb Hij besloot om te christen in de kerk.
408 amberc. amber noun Ze droeg een mooie ketting van amber.
409 medicatiec. medication noun De dokter heeft nieuwe medicatie voorgeschreven.
410 therapeutc. therapist noun Hij gaat elke week naar zijn therapeut voor hulp.
411 grand grand adjective Het hotel had een grand uitzicht op de zee.
412 tempoc. tempo noun Het tempo van de muziek was erg snel.
413 depressief depressed adjective Hij voelt zich soms depressief zonder reden.
414 shockc. shock noun De nieuwsbericht bracht iedereen in shock.
415 allergisch allergic adjective Zij is allergisch voor pollen in de lente.
416 paranoïde paranoid adjective Hij is altijd een beetje paranoïde over wat anderen denken.
417 papierwerkn. paperwork noun Het papierwerk moet voor vrijdag af zijn.
418 vestc. vest noun Hij droeg een warm vest tijdens de winter.
419 baardc. beard noun Hij heeft een lange baard die goed verzorgd is.
420 ceremoniec. ceremony noun De ceremonie vond plaats in het park.
421 beachc. beach noun We gaan naar de beach om te zonnen.
422 normc. norm noun Dat is de norm voor deze situatie.
423 sectorc. sector noun De sector van technologie groeit snel.
424 toastc. toast noun Ik heb een toast gemaakt voor het feest.
425 transportc. transport noun Het transport van goederen is essentieel voor de economie.
426 conflictc. conflict noun Er is een conflict ontstaan tussen de twee partijen.
427 hobbyc. hobby noun Mijn favoriete hobby is schilderen in mijn vrije tijd.
428 sitec. site noun Ik heb een interessante site gevonden over geschiedenis.
429 wodkac. vodka noun Hij bestelde een glas wodka in de bar.
430 decemberc. december noun In december vieren we Kerstmis.
431 scènec. scene noun De scène in de film was erg emotioneel en aangrijpend.
432 violetc. violet noun De bloemen in de tuin zijn prachtig, vooral de violet.
433 topperc. topper noun Dit boek is een topper en wordt door iedereen aanbevolen.
434 patiëntc. patient noun De patiënt wacht op zijn afspraak bij de dokter.
435 gpsc. gps noun Mijn gps helpt me de weg te vinden.
436 ovenc. oven noun De pizza ligt in de oven te bakken.
437 valleic. valley noun De rivier stroomt door de mooie vallei.
438 databasec. database noun De informatie staat in de database.
439 menuc. menu noun Het menu biedt veel lekkere gerechten.
440 permanent permanent adjective Hij heeft een permanent kapsel dat altijd hetzelfde blijft.
441 ranchc. ranch noun Ze hebben een grote ranch met veel dieren en ruimte.
442 diplomac. diploma noun Hij heeft zijn diploma gehaald na vier jaar studeren.
443 literc. liter noun Ik heb een liter melk gekocht voor de koffie.
444 mentaal mental adjective Sport is belangrijk voor je mentaal gezondheid.
445 alphac. alpha noun De alpha is de eerste letter van het Griekse alfabet.
446 cakec. cake noun Zij bakt een heerlijke cake voor het feest.
447 containerc. container noun De container staat vol met afval.
448 finalec. final noun De finale van de wedstrijd was spannend.
449 directe direct adjective Hij gaf een directe antwoord op de vraag.
450 oranje orange adjective De lucht was oranje tijdens de zonsondergang.
451 nobel noble adjective Zij heeft een nobel doel voor ogen met haar werk.
452 hoornc. horn noun De muzikant blies op zijn hoorn tijdens het concert.
453 daten to date verb Ze willen graag daten voordat ze een relatie beginnen.
454 lengtec. length noun De lengte van de tafel is twee meter.
455 nerdc. nerd noun Hij wordt vaak een nerd genoemd vanwege zijn liefde voor boeken.
456 relevant relevant adjective Dit onderwerp is relevant voor onze discussie vandaag.
457 expres express adverb Hij kwam expres te laat voor de vergadering.
458 cokec. coke noun Hij bestelde een coke bij het restaurant.
459 ballonc. balloon noun De kinderen bliezen een ballon op voor het feest.
460 egoc. ego noun Zijn ego is erg groot en hij denkt altijd dat hij gelijk heeft.
461 dieetc. diet noun Hij volgt een strikt dieet om af te vallen.
462 revolverc. revolver noun De detective vond een revolver in de oude schuur.
463 supermarktc. supermarket noun Ik ga naar de supermarkt om boodschappen te doen.
464 weerwolfc. werewolf noun In het verhaal verandert hij in een weerwolf bij volle maan.
465 sperman. sperm noun De bioloog bestudeert sperma onder de microscoop.
466 flashc. flash noun De camera maakte een flash tijdens de foto.
467 campusc. campus noun De studenten lopen over de campus na de les.
468 dramatisch dramatic adjective De film had een dramatisch einde dat iedereen raakte.
469 overdosisc. overdose noun Een overdosis kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid.
470 intens intense adjective De training was intens en uitdagend.
471 drakec. drake noun De drake zwom trots rond in de vijver.
472 buddyc. buddy noun Hij is mijn beste buddy sinds de basisschool.
473 banaanc. banana noun Hij eet elke ochtend een banaan bij zijn ontbijt.
474 butlerc. butler noun De butler serveerde het diner met veel stijl.
475 shuttlec. shuttle noun De shuttle brengt ons naar het vliegveld.
476 cashc. cash noun Ik heb geen cash, alleen mijn bankpas.
477 ladderc. ladder noun Hij gebruikte een ladder om het dak te bereiken.
478 hintc. hint noun Ze gaf me een hint over de oplossing van het raadsel.
479 reservec. reserve noun Ik heb een reserve van geld voor noodgevallen.
480 divers diverse adjective De groep bevat divers mensen van verschillende leeftijden.
481 effectief effective adjective Deze methode is effectief voor het leren van talen.
482 operac. opera noun We gaan vanavond naar de opera in het theater.
483 djc. dj noun De dj draait de muziek op het feest.
484 absurd absurd adjective Het idee was zo absurd dat niemand het serieus nam.
485 intelligentiec. intelligence noun Haar intelligentie helpt haar om moeilijke problemen op te lossen.
486 protestc. protest noun Er was een groot protest tegen de nieuwe wet.
487 logboekc. logbook noun Hij schreef alles in het logboek van de reis.
488 scorec. score noun De score van de wedstrijd was 3-2.
489 moslimc. muslim noun Een moslim volgt de leerstellingen van de islam.
490 puzzelc. puzzle noun Hij heeft een moeilijke puzzel gemaakt van 1000 stukjes.
491 stripperc. stripper noun De stripper danste op het podium tijdens het feest.
492 financiënc. finances noun Het is belangrijk om je financiën goed te beheren.
493 suggestiec. suggestion noun Heb je een suggestie voor het diner van vanavond?
494 tattooc. tattoo noun Hij heeft een mooie tattoo op zijn arm.
495 cocktailc. cocktail noun Ze bestelde een fruitige cocktail in de bar.
496 idiootc. idiot noun Hij gedraagt zich als een idioot in deze situatie.
497 saladec. salad noun Ik maak een frisse salade voor de lunch.
498 badgec. badge noun Hij droeg een badge op zijn uniform.
499 deltac. delta noun De delta van de rivier is prachtig.
500 envelopc. envelope noun Ik heb een envelop met een belangrijke brief ontvangen.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

Are Dutch and English words really this similar, or is this a gimmick?

It's a genuine feature of the two languages. English and Dutch both descend from West Germanic roots, so many everyday words such as goed, hand, water, and open share form and meaning closely enough that English speakers can often recognize them on sight.

If Dutch has so many cognates, why do I still need to study them?

Look-alike words can differ in pronunciation, grammatical gender, or the range of situations they cover; agent is a good example, since in Dutch it commonly means police officer. Cognates speed up recognition, but you still need to lock in spelling, sound, and usage.

How do I actually practice these words?

Sign up free with just an email address, with no card and no password needed, and Vocab Voyage will show you an English prompt and ask you to type the Dutch word, with accents forgiven. The app uses spaced repetition to bring words back just before you would otherwise forget them.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password