Dutch Sport & Leisure Vocabulary

Dutch sport and leisure vocabulary gives you the verbs and nouns for games, matches and everyday activity: spelen, winnen, verliezen, zwemmen, rennen, dansen and more. Each entry here comes with its English translation, its gender where relevant, and an example sentence so you see the word in use.

These are words that turn up constantly in ordinary conversation, whether you are talking about a wedstrijd on TV, saying you want to trainen or oefenen, or asking someone to meedoen. Learning them as a themed set makes them easier to recall than meeting them one by one.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Sport & Leisure Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 spelen to play verb De kinderen willen buiten spelen.
2 slaan to hit verb Je moet niet slaan als je boos bent.
3 winnen to win verb We hopen de wedstrijd te winnen dit weekend.
4 dragen to carry verb Zij wil een mooie jurk dragen naar het feest.
5 verliezen to lose verb Ik wil niet verliezen in dit spel.
6 vechten to fight verb Soms moet je vechten voor wat je wilt.
7 spelc. game noun Zij speelt een leuk spel met haar vrienden.
8 zingen to sing verb Ik hou ervan om in de douche te zingen.
9 dansen to dance verb Zij houdt ervan om te dansen op feestjes.
10 rennen to run verb De kinderen beginnen te rennen naar het park.
11 springen to jump verb De kinderen willen springen op de trampoline.
12 neerschieten to shoot down verb De politie moest de verdachte neerschieten om hem te stoppen.
13 clubc. club noun Hij gaat elke week naar een sport club.
14 wedstrijdc. match noun De wedstrijd begint om drie uur in het stadion.
15 gevechtc. fight noun Het gevecht tussen de twee teams was spannend.
16 aanvalc. attack noun De aanval kwam onverwacht en was zeer krachtig.
17 jagen to hunt verb Ze willen leren jagen op wilde dieren.
18 spelletjen. game noun We spelen een leuk spelletje met vrienden.
19 zwemmen to swim verb We gaan zwemmen in het meer deze zomer.
20 trainen to train verb Atleten moeten elke dag trainen om fit te blijven.
21 vissen to fish verb We gaan vissen in de rivier dit weekend.
22 oefenen to practice verb Het is goed om elke dag te oefenen voor de toets.
23 meedoen to participate verb Wil je meedoen aan de wedstrijd volgende week?
24 dansc. dance noun Zij houdt van de dans op feesten en evenementen.
25 schoppen to kick verb De kinderen willen in het park schoppen met de bal.
26 spelerc. player noun De speler scoorde het winnende doelpunt in de laatste minuut.
27 winnaarc. winner noun De winnaar van de wedstrijd kreeg een grote prijs.
28 racec. race noun De race begint om drie uur in de middag.
29 jachtc. hunt noun Hij gaat op jacht naar wilde dieren in het bos.
30 trainingc. training noun Ze volgt een training voor haar nieuwe baan.
31 klimmen to climb verb Kinderen houden ervan om in bomen te klimmen.
32 kampioenc. champion noun Hij is de kampioen van het voetbaltoernooi.
33 duiken to dive verb Ze willen graag duiken in de heldere zee.
34 avontuurc. adventure noun Het was een spannend avontuur om de bergen te verkennen.
35 sportc. sport noun Hij houdt van sport en gaat vaak naar de gym.
36 oefeningc. exercise noun Deze oefening helpt me beter te worden in wiskunde.
37 scoren to score verb Het is belangrijk om goed te scoren tijdens de wedstrijd.
38 feesten to party verb We gaan feesten voor zijn verjaardag.
39 varen to sail verb We willen varen op de rivier dit weekend.
40 worstelen to wrestle verb Ze willen graag worstelen met de beste atleten.
41 voetbalc. football noun Hij speelt elke zaterdag voetbal met zijn vrienden.
42 vermaken to entertain verb De clown kan het publiek goed vermaken.
43 hobbyc. hobby noun Mijn favoriete hobby is schilderen in mijn vrije tijd.
44 lopend running adjective Hij is lopend naar school gegaan.
45 honkbalc. baseball noun Hij speelt honkbal in het weekend met zijn vrienden.
46 vechterc. fighter noun Hij is een echte vechter in de ring.
47 scorec. score noun De score van de wedstrijd was 3-2.
48 puzzelc. puzzle noun Hij heeft een moeilijke puzzel gemaakt van 1000 stukjes.
49 cheerleaderc. cheerleader noun De cheerleader moedigt het team aan tijdens de wedstrijd.
50 basketbalc. basketball noun Hij speelt elke week basketbal met zijn vrienden.
51 trainerc. trainer noun De trainer gaf ons waardevolle tips voor de wedstrijd.
52 fietsen to cycle verb We gaan morgen fietsen in het bos.
53 stuntc. stunt noun De film bevat een spectaculaire stunt met auto's.
54 vaartc. sailing noun De vaart van de rivier is snel na de regen.
55 competitiec. competition noun De competitie was spannend en iedereen deed zijn best.
56 kamperen to camp verb Wij willen dit weekend kamperen in het bos.
57 boksen to box verb Hij wil graag boksen om fit te blijven.
58 danserc. dancer noun De danser maakte een prachtige sprongetje op het podium.
59 surfen to surf verb In de zomer ga ik graag surfen op het strand.
60 ruiterc. rider noun De ruiter reed snel over het veld.
61 racen to race verb Ze houden ervan om te racen op de snelwegen.
62 pokerc. poker noun Ze spelen vaak poker met vrienden.
63 zeilen to sail verb We gaan zeilen op het meer dit weekend.
64 sportschoolc. gym noun Ze gaat elke week naar de sportschool om te trainen.
65 bokserc. boxer noun De bokser won de wedstrijd met een knock-out.
66 toernooic. tournament noun Het toernooi begint volgende week in de stad.
67 olympisch olympic adjective De olympisch Spelen zijn een groot evenement voor atleten.
68 doken to dive verb Zij willen graag doken in de zee.
69 spinnen to spin verb De kinderen willen leren hoe ze kunnen spinnen met wol.
70 roeien to row verb We gaan roeien op het meer deze zomer.
71 stadionc. stadium noun Het stadion was vol tijdens de finale.
72 verkleden to dress up verb Kinderen houden ervan om zich te verkleden voor Halloween.
73 atleetc. athlete noun De atleet won de gouden medaille.
74 bowlen to bowl verb We gaan vanavond bowlen met vrienden.
75 strekken to stretch verb Het is belangrijk om je spieren te strekken na het sporten.
76 gymc. gym noun Ik ga elke dag naar de gym om te trainen.
77 spannen to stretch verb We moeten de touwen spannen voor de wedstrijd.
78 golfen to golf verb Hij houdt ervan om in het weekend te golfen.
79 kampioenschapc. championship noun Het kampioenschap begint volgende week in de stad.
80 schaken to play chess verb Ik hou ervan om met vrienden te schaken in het park.
81 schaatsen to skate verb In de winter gaan we schaatsen op de ijsbaan.
82 tennisc. tennis noun Hij speelt graag tennis in zijn vrije tijd.
83 joggen to jog verb Ik ga elke ochtend joggen in het park.
84 optillen to lift verb Hij kan de zware doos niet optillen.
85 karatec. karate noun Hij traint elke week voor zijn karate lessen.
86 hockeyc. hockey noun Ze speelt hockey op school en heeft veel plezier.
87 pokeren to play poker verb Ze willen graag pokeren met vrienden vanavond.
88 skiën to ski verb We gaan dit weekend skiën in de bergen.
89 marathonc. marathon noun Hij traint hard voor de marathon van volgend jaar.
90 uitoefenen to exercise verb Hij wil zijn rechten uitoefenen als advocaat.
91 voetballen to play football verb We gaan vanavond voetballen in het park.
92 cricketc. cricket noun Hij speelt cricket in het weekend met vrienden.
93 baseballc. baseball noun Hij speelt graag baseball met zijn vrienden.
94 rodeoc. rodeo noun Het rodeo is een spannend evenement met stieren.
95 drumc. drums noun Hij speelt op een drum in de band.
96 wereldkampioenc. world champion noun Hij werd de wereldkampioen na een spannende wedstrijd.
97 paardrijden to ride a horse verb Ik wil graag paardrijden leren in de zomer.
98 fitnessc. fitness noun Hij gaat elke week naar de fitness om te trainen.
99 sportief sporty adjective Zij is heel sportief en doet elke week aan hardlopen.
100 poloc. polo noun Hij draagt een polo met een leuk logo.
101 rommelen to mess around verb De kinderen zijn aan het rommelen in de tuin.
102 goalc. goal noun Hij scoorde het winnende goal in de laatste minuut.
103 dansjen. dance noun Ze leert een nieuw dansje voor het feest.
104 golfbaanc. golf course noun Ze spelen elke zondag op de golfbaan in de buurt.
105 skic. ski noun Hij leert nu om te ski op de bergen.
106 achtbaanc. roller coaster noun De achtbaan in het pretpark was erg spannend.
107 schietbaanc. shooting range noun De jongens gingen naar de schietbaan om te oefenen.
108 wandelend walking adjective De wandelend mensen genieten van het mooie weer.
109 rugbyc. rugby noun Hij speelt rugby in het weekend met zijn vrienden.
110 comebackc. comeback noun De band maakte een geweldige comeback na jaren.
111 zegevieren to triumph verb Het team hoopt te zegevieren in de finale.
112 derbyc. derby noun De derby tussen de twee teams is altijd spannend.
113 picknicken to picnic verb We willen graag picknicken in het park dit weekend.
114 chillen to chill verb We gaan chillen op het strand deze zomer.
115 dansend dancing adjective Ze liep dansend door het park.
116 vechtpartijc. fight noun Er was een vechtpartij in de straat afgelopen nacht.
117 renbaanc. racecourse noun De paarden rennen snel over de renbaan.
118 basketballen to play basketball verb We gaan vanavond basketballen met vrienden in het park.
119 scheidsc. referee noun De scheids floot voor een overtreding in de wedstrijd.
120 gymzaalc. gym noun De kinderen spelen in de gymzaal tijdens de pauze.
121 berijden to ride verb Je kunt een paard berijden in het park.
122 golfclubc. golf club noun Hij kocht een nieuwe golfclub voor zijn golfspel.
123 kungfun. kung fu noun Hij heeft jaren kungfu getraind voor de competitie.
124 honkbalknuppelc. baseball bat noun Hij nam zijn honkbalknuppel mee naar het honkbalveld.
125 ijshockeyc. ice hockey noun Hij speelt ijshockey in het winterseizoen.
126 skateboardc. skateboard noun Hij rijdt met zijn skateboard door het park.
127 rolschaatsen to roller skate verb Ze houdt ervan om te rolschaatsen in de zomer.
128 rondrennen to run around verb De kinderen willen graag rondrennen in het park.
129 coureurc. racer noun De coureur reed snel over het circuit.
130 keeperc. goalkeeper noun De keeper maakte een geweldige redding.
131 wedstrijdjec. small match noun We speelden een klein wedstrijdje om te zien wie het snelst was.
132 rocken to rock verb Ze willen deze zomer op het festival rocken.
133 zingend singing adjective Ze liep zingend door het park en genoot van de zon.
134 bowlingc. bowling noun We gaan vanavond bowling met vrienden.
135 doelpuntc. goal noun Hij scoorde het winnende doelpunt in de laatste minuut.
136 pistec. slope noun De skiërs gaan naar de piste.
137 sportzaalc. gymnasium noun We trainen elke week in de sportzaal.
138 frisbeec. frisbee noun Ze speelden met een frisbee in het park.
139 surferc. surfer noun De surfer staat op zijn plank en wacht op de perfecte golf.
140 hengelc. fishing rod noun Hij nam zijn hengel mee naar de rivier om te vissen.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What is the difference between spel and spelletje?

Both are translated as 'game', but spelletje is the diminutive form, used for a small or casual game. Diminutives in Dutch are always neuter, so it is het spelletje.

How do I know whether a Dutch sport word takes de or het?

Many nouns in this list, such as club, wedstrijd, aanval and dans, are common gender and take de. Any diminutive, like spelletje, takes het, so that ending alone tells you the article.

Are separable verbs like meedoen and neerschieten hard to learn?

They are manageable once you know the pattern: the prefix moves to the end of a main clause, so you say 'ik doe mee' and 'ik schiet neer', not 'ik meedoe'. Practising a couple of short sentences with each verb makes the split feel natural.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password