Dutch Technology & Media Vocabulary

From foto and telefoon to internet and technologie, this themed list gathers the Dutch vocabulary you need to talk about gadgets, media and the digital world. These words turn up constantly in Dutch news, advertising and everyday conversation, so they pay off quickly.

You'll notice that many Dutch technology words are borrowed almost unchanged from English, such as camera, video and e-mail. That makes the meanings easy to recognise, but the details still need practice: the right article, Dutch pronunciation, and separable verbs like opnemen and uitvinden.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Technology & Media Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 fotoc. photo noun Ik heb een mooie foto van de zee gemaakt.
2 telefoonc. telephone noun Mijn telefoon gaat vaak af tijdens vergaderingen.
3 camerac. camera noun Ze nam een foto met haar nieuwe camera.
4 opnemen to record verb Ik wil een video opnemen van het concert.
5 computerc. computer noun Mijn computer is kapot en moet gerepareerd worden.
6 motorc. motor noun De motor van de auto is kapot.
7 machinec. machine noun De machine in de fabriek draait de hele dag.
8 videoc. video noun Ik heb een leuke video gezien op internet.
9 programman. program noun Het nieuwe programma begint volgende week op televisie.
10 radioc. radio noun Zet de radio aan, ik wil naar muziek luisteren.
11 internetn. internet noun Ik gebruik het internet om informatie te vinden.
12 technisch technical adjective Dit probleem heeft een technisch oplossing nodig.
13 e-mailc. email noun Ik heb je e-mail ontvangen en zal snel antwoorden.
14 apparaatc. device noun Dit apparaat helpt me om mijn werk efficiënter te doen.
15 online online adjective We kunnen de cursus online volgen vanuit huis.
16 technologiec. technology noun De nieuwe technologie verandert de manier waarop we communiceren.
17 datac. data noun De data van het onderzoek zijn erg interessant.
18 mediac. media noun De media speelt een grote rol in de samenleving.
19 robotc. robot noun De robot kan verschillende taken in huis uitvoeren.
20 gsmc. mobile phone noun Neem je gsm mee als je naar het feest gaat.
21 netwerkc. network noun Hij heeft een groot netwerk van contacten.
22 connectiec. connection noun Ik heb een goede connectie met mijn collega's.
23 mobieltjec. mobile phone noun Hij verloor zijn mobieltje in de trein.
24 uitvinden to invent verb Wetenschappers willen nieuwe dingen uitvinden.
25 techniekc. technique noun De techniek van deze machine is indrukwekkend.
26 zenderc. channel noun De zender zendt elke avond nieuws.
27 afdrukken to print verb Ik wil deze documenten afdrukken voor de vergadering.
28 toestelc. device noun Het nieuwe toestel werkt veel sneller dan het oude.
29 televisiec. television noun We kijken elke avond naar de televisie voor het nieuws.
30 websitec. website noun Ik heb een nieuwe website gemaakt voor mijn bedrijf.
31 laptopc. laptop noun Ik gebruik mijn laptop om te studeren en te werken.
32 batterijc. battery noun De batterij van mijn telefoon is bijna leeg.
33 schermn. screen noun Het scherm van de computer is kapot en moet worden vervangen.
34 kabelc. cable noun De kabel is kapot en moet vervangen worden.
35 hacken to hack verb Het is illegaal om te hacken in computers.
36 aansluiten to connect verb Je kunt je bij de groep aansluiten als je wilt.
37 apparatuurc. equipment noun De apparatuur in het lab is zeer geavanceerd.
38 microfoonc. microphone noun De zanger sprak in de microfoon tijdens het concert.
39 elektriciteitc. electricity noun De lamp werkt niet omdat er geen elektriciteit is.
40 gpsc. gps noun Mijn gps helpt me de weg te vinden.
41 databasec. database noun De informatie staat in de database.
42 publiceren to publish verb Ik wil mijn artikel publiceren in een tijdschrift.
43 uitzenden to broadcast verb De show zal morgen uitzenden op televisie.
44 ruimteschipc. spaceship noun Het ruimteschip landde veilig op de maan.
45 klikken to click verb Je moet hier om de foto te klikken.
46 uitzendingc. broadcast noun De uitzending begint om acht uur vanavond.
47 generatorc. generator noun De generator zorgt voor stroom tijdens de stroomuitval.
48 onderzeeërc. submarine noun De onderzeeër dook diep onder water.
49 digitaal digital adjective Hij heeft een digitaal boek gekocht voor zijn e-reader.
50 serverc. server noun De server is offline voor onderhoud.
51 softwarec. software noun Deze software is erg handig voor het bewerken van foto's.
52 dronec. drone noun De drone vliegt hoog boven het veld.
53 scannen to scan verb Ik moet dit document scannen voor mijn werk.
54 laserc. laser noun De laser wordt gebruikt voor precisiewerk.
55 jetc. jet noun De jet vloog hoog boven de wolken.
56 uitvindingc. invention noun De uitvinding van de telefoon heeft de wereld veranderd.
57 programmeren to program verb Hij wil leren programmeren om apps te maken.
58 scannerc. scanner noun De scanner kan documenten snel digitaliseren.
59 downloaden to download verb Ik wil een film downloaden voor het weekend.
60 elektronisch electronic adjective Hij heeft een elektronisch apparaat gekocht voor zijn werk.
61 verlinken to link verb Het is niet eerlijk om iemand te verlinken voor iets wat ze niet deden.
62 updatec. update noun Ik heb een update nodig over het project.
63 kopiëren to copy verb Je moet de documenten kopiëren voor de vergadering.
64 blogc. blog noun Hij schrijft elke week een nieuwe blog.
65 afspelen to play back verb Je kunt de video afspelen op je telefoon.
66 accuc. battery noun De accu van mijn telefoon is bijna leeg, ik moet hem opladen.
67 beveiligingscamerac. security camera noun De beveiligingscamera registreert alles wat er gebeurt.
68 reactorc. reactor noun De reactor produceert energie voor de stad.
69 monitorc. monitor noun De monitor toont alle belangrijke informatie.
70 tabletn. tablet noun Hij leest zijn boeken op een tablet in plaats van op papier.
71 faxc. fax noun Ik moet het document per fax naar je sturen.
72 aircoc. air conditioning noun De airco maakt het hier veel koeler.
73 installeren to install verb Ik ga de nieuwe software installeren.
74 techc. tech noun De tech ontwikkelt zich snel in deze tijd.
75 appc. app noun Ik heb een nieuwe app gedownload voor mijn telefoon.
76 schakelaarc. switch noun Zet de schakelaar aan om het licht te laten branden.
77 antwoordapparaatc. answering machine noun Ik heb een boodschap op het antwoordapparaat achtergelaten.
78 klonen to clone verb Wetenschappers willen klonen om nieuwe medicijnen te maken.
79 telescoopc. telescope noun Met de telescoop kun je sterren en planeten beter zien.
80 cloudc. cloud noun Al mijn foto's staan in de cloud.
81 bewakingscamerac. surveillance camera noun De bewakingscamera registreert alles wat er gebeurt.
82 opladen to charge verb Vergeet niet je telefoon opladen voordat je vertrekt.
83 magnetronc. microwave noun Ik verwarm mijn eten in de magnetron.
84 antennec. antenna noun De antenne op het dak zorgt voor beter tv-signaal.
85 algoritmec. algorithm noun Het nieuwe algoritme helpt bij het sorteren van gegevens.
86 elektronicac. electronics noun De winkel verkoopt allerlei soorten elektronica.
87 elektromagnetisch electromagnetic adjective De elektromagnetisch velden zijn belangrijk voor de werking van de apparaten.
88 sonarc. sonar noun De boot gebruikt sonar om onderwaterobjecten te detecteren.
89 hologramc. hologram noun Het hologram leek bijna echt te zijn.
90 microscoopc. microscope noun Met een microscoop kun je kleine dingen beter zien.
91 stereoc. stereo noun De muziek komt uit de stereo in de woonkamer.
92 videobandc. videotape noun Ik heb een oude videoband met onze vakantiefoto's.
93 navigatiec. navigation noun De navigatie helpt ons de juiste route te vinden.
94 gezichtsherkenningc. facial recognition noun De gezichtsherkenning wordt gebruikt voor beveiliging.
95 firewallc. firewall noun Zorg ervoor dat je firewall goed is ingesteld.
96 audioc. audio noun Ik luister naar audio op mijn telefoon.
97 beveiligingssysteemn. security system noun Het beveiligingssysteem is onlangs vernieuwd voor meer veiligheid.
98 opwekken to generate verb We moeten energie opwekken uit duurzame bronnen.
99 hardwarec. hardware noun De computer heeft nieuwe hardware nodig om sneller te werken.
100 zendertjec. transmitter noun Het zendertje verstuurde signalen naar de ontvanger.
101 drukkerc. printer noun De drukker maakte veel lawaai tijdens het werk.
102 luidsprekerc. loudspeaker noun De muziek komt uit de luidspreker in de kamer.
103 printerc. printer noun De printer in het kantoor is kapot en moet worden gerepareerd.
104 helicopterc. helicopter noun De helicopter landde veilig op het dak van het gebouw.
105 usb-stickc. usb stick noun Ik heb mijn bestanden op de usb-stick gezet voor de presentatie.
106 offline offline adjective Ik probeer minder offline te zijn en meer te genieten van het moment.
107 transmissiec. transmission noun De transmissie van de informatie was erg snel.
108 energiebronc. energy source noun Zonne-energie is een duurzame energiebron.
109 toegangscodec. access code noun Je hebt een toegangscode nodig om in te loggen.
110 databankc. database noun De informatie staat in de databank van het bedrijf.
111 verkeerscamerac. traffic camera noun De verkeerscamera registreert alle voertuigen op de snelweg.
112 airconditioningc. air conditioning noun De airconditioning zorgt voor een koele ruimte in de zomer.
113 uploaden to upload verb Ik ga de foto's uploaden naar de website.
114 koptelefoonc. headphones noun Zet je koptelefoon op om naar muziek te luisteren.
115 dashboardc. dashboard noun Kijk op het dashboard voor belangrijke informatie.
116 ruimtestationn. space station noun Het ruimtestation draait rond de aarde en doet veel onderzoek.
117 intercomc. intercom noun Ik belde hem via de intercom in het gebouw.
118 afluisterapparatuurc. listening device noun De politie gebruikte afluisterapparatuur om het gesprek te horen.
119 videocamerac. video camera noun Met mijn videocamera maak ik graag filmpjes van vakanties.
120 gadgetc. gadget noun Deze nieuwe gadget is echt handig voor onderweg.
121 interfacec. interface noun De nieuwe interface is gebruiksvriendelijker dan de oude.
122 recorderc. recorder noun Hij gebruikt een recorder om de les op te nemen.
123 wi-fin. wi-fi noun Zonder wi-fi kunnen we geen video's streamen op onze apparaten.
124 mainframec. mainframe noun Het bedrijf heeft een krachtige mainframe voor zijn gegevens.
125 navigatorc. navigator noun De navigator helpt ons de juiste route te vinden.
126 backupc. backup noun Zorg voor een backup van je bestanden.
127 faxen to fax verb Ik moet dit document faxen naar het kantoor.
128 typemachinec. typewriter noun Ze schrijft haar boeken op een oude typemachine.
129 draadloos wireless adjective Ik heb een draadloos internetverbinding in huis.
130 videobeeldc. video images noun Het videobeeld was niet duidelijk door de slechte verbinding.
131 alarmsysteemn. alarm system noun Het nieuwe alarmsysteem is zeer betrouwbaar en veilig.
132 subtitlesc. subtitles noun De film had Engelse subtitles voor de buitenlandse kijkers.
133 toetsenbordc. keyboard noun Mijn laptop heeft een nieuw toetsenbord dat beter typt.
134 ip-adresc. ip address noun Je moet je ip-adres invoeren om in te loggen op de website.
135 krachtbronc. power source noun De zon is een belangrijke krachtbron voor de aarde.
136 printen to print verb Ik moet dit document printen voor de vergadering.
137 programmeringc. programming noun De programmering van de cursus begint volgende week.
138 bijwerken to update verb Ik moet mijn cv bijwerken voor de sollicitatie.
139 blenderc. blender noun Met de blender maak ik elke ochtend een smoothie.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

Is internet a de-word or a het-word?

Internet is a het-word: het internet. It is an exception among the technology nouns here, since computer, telefoon and camera all take de; programma is also a het-word.

Why do so many Dutch technology words look like English?

Dutch has borrowed a lot of tech vocabulary directly, so camera, video, e-mail, online and internet are instantly recognisable. The catch is that you still need the correct Dutch article and pronunciation, which is where your practice time should go.

How should I practise separable verbs like opnemen and uitvinden?

Learn them inside full sentences rather than as bare infinitives, because the prefix moves to the end of a main clause, as in 'ik neem het op' and 'hij vindt iets uit'. Repeating those patterns makes the word order automatic.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password