Dutch Home & Daily Life Vocabulary

This list gathers the Dutch words you actually need to talk about where you live: the rooms in a house, basic furniture, and the verbs for moving in or settling down. If you're looking for Dutch home vocabulary or want to describe your daily surroundings — huis, kamer, keuken, slaapkamer — this page gives you each word with its gender and an example sentence.

Vocab Voyage turns this list into spaced-repetition flashcards: you type the Dutch word for an English prompt, with accents forgiven, so you build real recall instead of just recognising words. Sign up free with an email to start practising this Home & Daily Life set.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Home & Daily Life Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 huisc. house noun Ze woont in een groot huis met een tuin.
2 wonen to live verb Zij wil graag in Amsterdam wonen.
3 kamerc. room noun Mijn kamer is altijd netjes en opgeruimd.
4 deurc. door noun De deur staat open, kom binnen!
5 bedn. bed noun Ik heb een nieuw bed gekocht.
6 gangc. corridor noun De gang is donker en stil.
7 muurc. wall noun De muur van het huis is geschilderd in een mooie kleur.
8 tafelc. table noun Zet de bloemen op de tafel in de woonkamer.
9 bureaun. desk noun Mijn bureau staat vol met boeken en papieren.
10 raamc. window noun Het raam staat open voor frisse lucht.
11 verhuizen to move verb We gaan binnenkort verhuizen naar een nieuw huis.
12 stoelc. chair noun Zet de stoel bij de tafel, alstublieft.
13 slotc. lock noun Het slot van de deur is kapot.
14 doosc. box noun Ze opende de doos met de nieuwe schoenen.
15 appartementn. apartment noun Ze woont in een klein appartement in de stad.
16 liftc. elevator noun Neem de lift naar de derde verdieping.
17 keukenc. kitchen noun De keuken is heel modern.
18 dakc. roof noun Het dak van het huis is rood.
19 flatc. apartment noun Ze woont in een mooie flat in het centrum van de stad.
20 halc. hall noun De hal is versierd voor het feest.
21 kastc. cupboard noun De kast staat vol met boeken.
22 vloerc. floor noun De vloer is gemaakt van mooi hout.
23 tentc. tent noun We zetten de tent op voor het kampeertrip.
24 kelderc. cellar noun De kelder is vol met oude spullen.
25 slaapkamerc. bedroom noun Mijn slaapkamer is boven in het huis.
26 garagec. garage noun Mijn auto staat in de garage naast het huis.
27 badkamerc. bathroom noun Ik heb de badkamer net schoongemaakt, het ruikt heerlijk.
28 wcc. toilet noun De wc is aan het einde van de gang.
29 zwembadc. swimming pool noun Het zwembad is open in de zomer.
30 douchec. shower noun Neem een douche na het sporten, dat is verfrissend.
31 thuiskomen to come home verb Ik kan niet wachten om weer thuiskomen na de vakantie.
32 opruimen to clean up verb We moeten de kamer opruimen voor het feest.
33 hutc. cabin noun We sliepen in een kleine hut tijdens de camping.
34 woningc. dwelling noun Ze zoeken een nieuwe woning in de stad.
35 schuurc. shed noun De schuur is vol met oude spullen en gereedschap.
36 dekenc. blanket noun Ik heb een warme deken nodig voor de koude nacht.
37 handdoekc. towel noun Neem een handdoek mee naar het zwembad voor na het zwemmen.
38 koelkastc. refrigerator noun De koelkast is vol met groenten en fruit.
39 voordeurc. front door noun Zij opende de voordeur om de post te halen.
40 lakenc. sheets noun Het bed is bedekt met een schoon laken.
41 schuilplaatsc. shelter noun We vonden een schuilplaats tijdens de storm.
42 verblijfc. stay noun Hun verblijf in het hotel was erg aangenaam.
43 gordijnc. curtains noun Het gordijn in de kamer is blauw.
44 tapijtc. carpet noun Het tapijt in de woonkamer is heel mooi.
45 huisjec. little house noun Ze hebben een schattig huisje in het bos.
46 opknappen to renovate verb We willen het huis opknappen voor de verkoop.
47 ovenc. oven noun De pizza ligt in de oven te bakken.
48 achterdeurc. back door noun Zorg ervoor dat je de achterdeur goed op slot doet.
49 woonkamerc. living room noun De kinderen spelen in de woonkamer terwijl de ouders koffie drinken.
50 emmerc. bucket noun Ze vulde de emmer met water voor de planten.
51 klusjec. chores noun Ik heb een klein klusje te doen in de tuin.
52 plafondc. ceiling noun Het plafond is versierd met mooie schilderijen.
53 zolderc. attic noun Op de zolder vond ik oude boeken en speelgoed.
54 villac. villa noun Ze wonen in een mooie villa aan het meer.
55 luikn. shutter noun Het luik in de zolder was gesloten.
56 meubelc. furniture noun Dat meubel in de woonkamer is erg oud.
57 vuilnisbakc. trash can noun Gooi je afval in de vuilnisbak en niet op straat.
58 balkonc. balcony noun Ze zitten graag op het balkon met een boek.
59 achtertuinc. backyard noun De kinderen spelen in de achtertuin met hun vrienden.
60 poetsen to clean verb Ik moet mijn tanden goed poetsen voor het slapen.
61 huisgenootc. housemate noun Mijn huisgenoot maakt altijd het huis schoon.
62 huurderc. tenant noun De huurder heeft de huur voor deze maand al betaald.
63 opritc. driveway noun Parkeer de auto op de oprit.
64 kastjec. cabinet noun Het boek ligt in het kastje naast de bank.
65 matrasc. mattress noun Ik heb een nieuw matras voor mijn bed gekocht.
66 haardc. hearth noun De haard brandt warm in de winter.
67 kraanc. tap noun De kraan lekt en moet worden gerepareerd.
68 huishoudsterc. housekeeper noun De huishoudster helpt met het schoonmaken van het huis.
69 verandac. veranda noun We zitten graag op de veranda in de zomer.
70 vriezerc. freezer noun Zet de restjes in de vriezer voor later.
71 tandenborstelc. toothbrush noun Vergeet niet je tandenborstel mee te nemen naar de badkamer.
72 huisbaasc. landlord noun Mijn huisbaas is erg vriendelijk en behulpzaam.
73 verwarmingc. heating noun De verwarming is kapot en het is koud.
74 verblijfplaatsc. residence noun Ze zochten een verblijfplaats voor hun vakantie.
75 zetelc. seat noun Zij zit op de zetel en leest een boek.
76 huishoudenc. household noun Een huishouden kan veel werk met zich meebrengen.
77 ketelc. kettle noun De ketel staat op het vuur om water te koken.
78 servetc. napkin noun Zet een servet op je schoot tijdens het diner.
79 schoorsteenc. chimney noun De rook komt uit de schoorsteen van het huis.
80 badkuipc. bathtub noun Ik vul de badkuip met warm water voor een ontspannend bad.
81 eetkamerc. dining room noun De eetkamer is gezellig ingericht voor het diner.
82 logeerkamerc. guest room noun De logeerkamer is klaar voor onze gasten.
83 opslagruimtec. storage space noun We hebben meer opslagruimte nodig voor al deze dozen.
84 huiselijk domestic adjective Ze houdt van huiselijk leven en gezelligheid.
85 gootsteenc. sink noun De gootsteen is verstopt en moet worden gerepareerd.
86 terrasc. terrace noun We zitten graag op het terras met een drankje in de zon.
87 sofac. sofa noun Zij zit graag op de sofa om te lezen.
88 wasmachinec. washing machine noun De wasmachine is kapot en moet gerepareerd worden.
89 studeerkamerc. study room noun Mijn studeerkamer is vol met boeken en notities.
90 verhuizingc. moving noun De verhuizing naar het nieuwe huis was een grote klus.
91 bezemc. broom noun Gebruik de bezem om de vloer schoon te maken.
92 binnenplaatsc. courtyard noun We hebben een barbecue georganiseerd op de binnenplaats achter het huis.
93 opslagplaatsc. storage place noun De opslagplaats is vol met oude meubels.
94 landhuisn. country house noun Ze kochten een prachtig landhuis in het platteland.
95 kinderkamerc. children's room noun De kinderkamer is mooi ingericht met vrolijke kleuren.
96 thuisbrengen to bring home verb Ik moet mijn vriend thuisbrengen na het feest.
97 badjasc. bathrobe noun Na het douchen trek ik mijn badjas aan om me warm te houden.
98 fornuisc. stove noun Ik kook elke avond op mijn fornuis.
99 loodsc. shed noun De loods is vol met oude meubels en spullen.
100 laatjec. drawer noun Ik heb mijn sleutels in het laatje gelegd.
101 garderobec. wardrobe noun Hang je jas in de garderobe als je binnenkomt.
102 ijskastc. fridge noun Zet de melk in de ijskast om het koel te houden.
103 wasserettec. laundromat noun We moeten naar de wasserette om onze kleren te wassen.
104 stofzuigerc. vacuum cleaner noun De stofzuiger maakt veel lawaai tijdens het schoonmaken.
105 werfc. yard noun De werf is druk met het bouwen van huizen.
106 meubilairc. furniture noun Het meubilair in de kamer is nieuw.
107 hangerc. hanger noun Ik heb een mooie hanger voor mijn jas gekocht.
108 lampjec. little lamp noun Het lampje in de kamer is kapot.
109 strandhuisc. beach house noun Hun strandhuis staat vlakbij de zee.
110 tafeltjec. small table noun Zet het boek op het tafeltje naast de bank.
111 toiletpapierc. toilet paper noun We moeten meer toiletpapier kopen voor het huis.
112 achterkamerc. back room noun De vergadering vond plaats in de achterkamer van het gebouw.
113 knus cozy adjective Het huis was knus ingericht voor de winter.
114 prullenbakc. trash can noun Gooi je afval in de prullenbak en houd het schoon.
115 trappenhuisc. staircase noun Het trappenhuis is breed genoeg voor meerdere mensen.
116 parketc. parquet noun De vloer is gemaakt van mooi parket.
117 nachtkastjec. nightstand noun Het boek ligt op het nachtkastje naast het bed.
118 huizec. house noun In dat huize wonen veel vriendelijke mensen.
119 kachelc. stove noun De kachel houdt het huis warm in de winter.
120 schuilkelderc. shelter noun Tijdens de storm zochten we onderdak in de schuilkelder.
121 huiskamerc. living room noun De huiskamer is de gezelligste plek in het huis.
122 thuiskomc. homecoming noun Na een lange reis was de thuiskom erg fijn.
123 deurbelc. doorbell noun De deurbel gaat vaak als de postbode komt.
124 afwassen to wash up verb Na het diner moet ik de borden afwassen.
125 erfc. yard noun Het erf is groot en vol met bloemen.
126 ventilatiec. ventilation noun Zorg voor goede ventilatie in de kamer tijdens de zomer.
127 studentenhuisc. student house noun Ik woon in een studentenhuis met vijf andere studenten.
128 thuisblijven to stay home verb Soms is het fijn om gewoon te thuisblijven en te ontspannen.
129 aanrechtn. kitchen counter noun Het aanrecht in de keuken is van marmer en ziet er prachtig uit.
130 woonplaatsc. place of residence noun Haar woonplaats is een klein dorpje in Nederland.
131 behangc. wallpaper noun Het behang in de kamer is heel kleurrijk.
132 wc-papierc. toilet paper noun We moeten meer wc-papier kopen voor het huis.
133 bankjen. bench noun Ze zaten op een bankje in het park te genieten van de zon.
134 rommiec. roommate noun Mijn rommie en ik delen een appartement in de stad.
135 kamermeisjec. chambermaid noun Het kamermeisje maakt de kamers elke dag schoon.
136 thuiskomstc. homecoming noun Haar thuiskomst was een verrassing voor de familie.
137 brandtrapc. fire escape noun De brandtrap is de veiligste manier om naar beneden te komen.
138 kamertjec. small room noun Ik heb een klein kamertje in mijn huis voor mijn hobby's.
139 renovatiec. renovation noun De renovatie van het huis duurt langer dan verwacht.
140 kraamc. crib noun De baby ligt in de kraam met zachte dekens.
141 wasserijc. laundry noun Ik breng mijn kleren naar de wasserij voor een wasbeurt.
142 slaapplaatsc. sleeping place noun De kat heeft een comfortabele slaapplaats gevonden.
143 voortuinc. front garden noun De bloemen in de voortuin bloeien prachtig in de lente.
144 dweilc. mop noun Gebruik een dweil om de vloer schoon te maken.
145 boomhutc. tree house noun De kinderen speelden in de boomhut in de tuin.
146 slaapzaalc. dormitory noun De studenten slapen in een grote slaapzaal op de campus.
147 boilerc. boiler noun De boiler verwarmt het water voor de douche.
148 interieurc. interior noun Het interieur van het huis is modern en stijlvol.
149 zitkamerc. living room noun In de zitkamer staat een grote, comfortabele bank.
150 loftc. loft noun Ze wonen in een mooie loft in de stad.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What's the difference between appartement and flat in Dutch?

Both appear on this list with the translation 'apartment'. The key thing to keep straight is the gender: appartement is neuter (het appartement), while flat is common gender (de flat).

Does huis mean a physical house or 'home'?

On this list huis is translated as house, and that is its concrete meaning: the building you live in. To talk about living somewhere as an ongoing state, Dutch uses the verb wonen (to live).

How can I tell whether a Dutch noun for the home is de or het?

There is no single reliable rule, so learn each noun together with its article from the start — as this list does for bed and appartement (het) versus kamer, tafel and deur (de). Compounds usually inherit the gender of their final part, which helps once you know base nouns like kamer.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password