Dutch Shopping & Clothes Vocabulary

This list gathers useful Dutch shopping and clothes vocabulary in one place: words for stores and markets, for bags and gifts, and for the clothes you'll actually buy or talk about, like broek, jas, jurk and shirt. Each entry comes with its gender and a short example sentence, so you can see the word doing real work before you try to recall it yourself.

It's a practical theme to study early: the vocabulary shows up in shops, online orders and everyday small talk, and the sentences give you ready-made patterns to reuse. Work through it in small batches, then let the flashcards bring each word back until you can produce it without thinking.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Shopping & Clothes Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 pakc. suit noun Ik heb een nieuw pak voor de bruiloft gekocht.
2 kopen to buy verb Ik wil een nieuw boek kopen voor de vakantie.
3 kledingc. clothes noun Ze draagt altijd mooie kleding naar het werk.
4 zakc. bag noun Hij heeft een grote zak met boodschappen.
5 winkelc. store noun Ik ga naar de winkel om boodschappen te doen.
6 barc. bar noun We gaan vanavond naar de bar om iets te drinken.
7 broekc. pants noun Deze broek is te groot voor mij.
8 tasc. bag noun Zij draagt een mooie tas naar school.
9 jurkc. dress noun Ze droeg een mooie jurk naar het feest.
10 beltc. belt noun Hij heeft een nieuwe belt gekocht voor zijn hond.
11 flesc. bottle noun Ik heb een fles water meegenomen.
12 jasc. jacket noun Ik draag mijn jas omdat het koud is buiten.
13 leerc. leather noun Ik wil graag meer over deze leer leren.
14 cadeauc. gift noun Ik heb een mooi cadeau voor je verjaardag gekocht.
15 bordc. plate noun Zet het bord op tafel voor het diner.
16 kofferc. suitcase noun Ik heb mijn koffer gepakt voor de reis.
17 verkoopc. sale noun De verkoop van het huis is snel gegaan.
18 sigaretc. cigarette noun Hij rookte een sigaret terwijl hij op de bank zat.
19 marktc. market noun Elke zaterdag ga ik naar de markt om verse groenten te kopen.
20 shirtc. shirt noun Hij draagt een nieuw shirt naar het feest.
21 merkc. brand noun Dit merk is bekend om zijn kwaliteit en duurzaamheid.
22 kleedc. dress noun Ze kocht een nieuw kleed voor de woonkamer.
23 laarsc. boots noun Ze droeg een mooie laars tijdens de wandeling.
24 riemc. belt noun Ik heb een nieuwe riem gekocht voor mijn broek.
25 spencerc. sweater vest noun Ze droeg een mooie spencer over haar jurk.
26 ondergoedc. underwear noun Ik heb nieuw ondergoed gekocht voor de vakantie.
27 sokc. socks noun Ik kan mijn andere sok niet vinden.
28 winkelen to shop verb We gaan dit weekend winkelen in de stad.
29 jasjec. jacket noun Ze droeg een mooi jasje voor de gelegenheid.
30 t-shirtc. t-shirt noun Hij droeg een wit t-shirt met een grappige tekst.
31 truic. sweater noun Ik draag een warme trui in de winter.
32 winkelcentrumn. shopping center noun We gaan naar het winkelcentrum om te winkelen.
33 vestc. vest noun Hij droeg een warm vest tijdens de winter.
34 armbandc. bracelet noun Ze droeg een mooie armband om haar pols.
35 bekerc. cup noun Hij won een beker voor zijn prestaties in de competitie.
36 modec. fashion noun De laatste mode verandert elk seizoen.
37 omkleden to change clothes verb Ik ga me snel omkleden voor het feest.
38 supermarktc. supermarket noun Ik ga naar de supermarkt om boodschappen te doen.
39 hemdc. shirt noun Hij droeg een blauw hemd naar het feest.
40 rugzakc. backpack noun Neem je rugzak mee als je naar school gaat.
41 parfumc. perfume noun Ze draagt altijd een heerlijk parfum dat iedereen ruikt.
42 kleden to dress verb Ze besloot zich mooi te kleden voor het diner.
43 onderbroekc. underwear noun Ik heb een nieuwe onderbroek gekocht in de winkel.
44 kapselc. hairstyle noun Ze heeft een nieuw kapsel dat heel trendy is.
45 oorbelc. earrings noun Ze verloor haar oorbel tijdens het dansen.
46 aankleden to dress verb Ik moet me snel aankleden voor het feest.
47 lepelc. spoon noun Je hebt een lepel nodig om de soep te eten.
48 kortingc. discount noun Je krijgt korting als je meer dan vijf artikelen koopt.
49 kassac. cash register noun De kassa was druk, met lange rijen klanten.
50 kamc. comb noun Gebruik een kam om je haar te ontwarren.
51 sieraadc. jewelry noun Zij droeg een prachtig sieraad om haar hals.
52 sjaalc. scarf noun Hij droeg een warme sjaal in de winter.
53 pyjamac. pajamas noun Ik trek mijn pyjama aan voordat ik ga slapen.
54 lippenstiftc. lipstick noun Ze bracht lippenstift aan voordat ze naar het feest ging.
55 rokc. skirt noun De rok die ze droeg was heel mooi en kleurrijk.
56 pruikc. wig noun Ze droeg een pruik voor het toneelstuk.
57 overhemdc. shirt noun Hij draagt een mooi overhemd naar het feest.
58 outfitc. outfit noun Ze droeg een mooie outfit naar het feest.
59 vorkc. fork noun Neem een vork om je eten te kunnen eten.
60 behac. bra noun Ze kocht een nieuwe beha voor de speciale gelegenheid.
61 zonnebrilc. sunglasses noun Zet je zonnebril op, het is erg zonnig vandaag.
62 mandc. basket noun Zet de appels in de mand op de tafel.
63 mantelc. coat noun Ze droeg een warme mantel in de winter.
64 stomerijc. dry cleaner noun Ik breng mijn kleding naar de stomerij voor een goede reiniging.
65 bikinic. bikini noun Ze droeg een nieuwe bikini op het strand.
66 jeansc. jeans noun Ze draagt altijd een paar comfortabele jeans.
67 bonnetjec. receipt noun Vergeet niet je bonnetje te bewaren voor de terugbetaling.
68 bhc. bra noun Ze kocht een nieuwe bh voor de speciale gelegenheid.
69 chic stylish adjective Ze droeg een chic jurk naar het feest.
70 katoenc. cotton noun Dit shirt is gemaakt van 100% katoen.
71 kleiden to dress verb Ze wil zich mooi kleiden voor het feest.
72 ritsc. zipper noun Zorg ervoor dat je rits goed dicht is.
73 blousec. blouse noun Zij draagt een mooie blouse naar het feest.
74 schortc. apron noun Zij droeg een schort tijdens het koken.
75 pantyc. pantyhose noun Ze droeg een mooie panty onder haar jurk.
76 tweedehands secondhand adjective Ik heb een tweedehands boek gekocht voor weinig geld.
77 warenhuisc. department store noun Ik ga naar het warenhuis om boodschappen te doen.
78 lastpakn. overalls noun Hij voelde zich een lastpak met al die verantwoordelijkheden.
79 capc. cap noun Hij droeg een cap om zich te beschermen tegen de zon.
80 lingeriec. lingerie noun Ze kocht nieuwe lingerie voor haar huwelijksnacht.
81 shopc. shop noun Ze opende een nieuwe shop in het centrum van de stad.
82 koopjen. bargain noun Dit boek was een koopje in de uitverkoop.
83 juwelierc. jeweler noun De juwelier heeft prachtige ringen in de etalage.
84 halskettingc. necklace noun Zij droeg een mooie halsketting naar het feest.
85 kledijc. clothing noun Hij draagt altijd stijlvolle kledij naar zijn werk.
86 trouwjurkc. wedding dress noun Ze droeg een prachtige trouwjurk op haar bruiloft.
87 veterc. laces noun Ik moet mijn veter strikken voordat ik ga rennen.
88 kousc. socks noun Ik heb een kous verloren tijdens het wassen.
89 petjec. cap noun Hij droeg een blauw petje op zijn hoofd.
90 inkopen to purchase verb We moeten vandaag inkopen doen voor het feest volgende week.
91 spijkerbroekc. jeans noun Hij draagt altijd een spijkerbroek naar school.
92 shoppen to shop verb We gaan morgen shoppen in de stad.
93 badpakc. swimsuit noun Zij draagt een nieuw badpak naar het strand.
94 sweaterc. sweater noun Ik draag mijn favoriete sweater omdat het koud is.
95 zwembroekc. swimming trunks noun Ik heb een nieuwe zwembroek voor de vakantie gekocht.
96 lipstickc. lipstick noun Zij draagt altijd lipstick als ze naar een feestje gaat.
97 slippersc. slippers noun Ik draag graag slippers in de zomer.
98 regenjasc. raincoat noun Neem je regenjas mee, het gaat regenen vandaag.
99 enkelbandc. anklet noun Ze droeg een enkelband als modeaccessoire.
100 nagellakc. nail polish noun Ze heeft een mooie rode nagellak op haar nagels.
101 aankopen to purchase verb Je moet eerst de producten aankopen voordat je ze kunt gebruiken.
102 jumperc. jumper noun Ik draag een warme jumper omdat het koud is buiten.
103 winkeldiefstalc. shoplifting noun De politie onderzoekt een geval van winkeldiefstal in de supermarkt.
104 gewaadc. garment noun De monnik droeg een eenvoudig gewaad tijdens de ceremonie.
105 platinac. platinum noun Dit sieraad is gemaakt van platina.
106 rokjec. skirt noun Ze droeg een mooi rokje naar het feest.
107 koopwaarc. merchandise noun De markt verkoopt veel verschillende koopwaar.
108 bloesc. blouse noun Ze draagt een mooie bloes naar het feest.
109 korsetc. corset noun Ze draagt een korset voor de speciale gelegenheid.
110 aanhebben to wear verb Ik ga aanhebben mijn nieuwe jas vandaag.
111 chinoc. chino noun Hij draagt een nieuwe chino naar het werk.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What kind of Dutch words are in this shopping and clothes vocabulary list?

It's a themed set of frequently used Dutch words for shopping and clothing, covering places like winkel and markt, actions like kopen, and clothing items such as broek, jurk, jas and shirt, each shown with its gender and an example sentence.

Do I need to already know Dutch grammar to use this list?

Some basic grammar helps, since the list is aimed at A2-C1 learners, but every word comes with its gender and a full example sentence, so you can pick up article and usage patterns as you go.

How does Vocab Voyage help me actually remember these words, not just recognize them?

Instead of picking from multiple choice, you type the Dutch word yourself for an English prompt, and spaced repetition brings words like koffer, riem or verkoop back before you'd normally forget them. Accents are forgiven, and the app is free with an email sign-up.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password