Dutch Emotions & Personality Vocabulary

This list gathers common Dutch words for talking about feelings, moods, and character - the kind of vocabulary that comes up the moment someone asks how you are or what someone else is like. Whether you're looking for Dutch emotions vocabulary, Dutch personality adjectives, or simply how to say happy in Dutch, each entry comes with its English translation, gender where relevant, and an example sentence in context.

Emotion and personality words are some of the most useful vocabulary you can learn, because they show up constantly in conversation, messages, and small talk. Type each word as you review it with spaced repetition, and let the example sentences guide you toward natural use rather than memorising isolated translations.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Emotions & Personality Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 zorgen to worry verb Ik moet zorgen voor mijn gezondheid.
2 geweldig great adjective Dat was een geweldig concert!
3 gek crazy adjective Dat idee is echt gek, ik begrijp het niet.
4 slecht bad adjective Het weer is vandaag slecht en somber.
5 bang afraid adjective Ze is bang voor het donker.
6 rustig calm adjective Hij is altijd zo rustig en kalm.
7 blij happy adjective Zij is blij met haar nieuwe fiets.
8 prima great adjective Het gaat prima met mij, dank je!
9 fijn fine adjective Het is fijn om met vrienden te zijn.
10 gelukkig happy adjective Hij voelt zich gelukkig met zijn nieuwe baan.
11 eerlijk honest adjective Hij is altijd eerlijk over zijn gevoelens.
12 arm poor adjective Hij is arm maar gelukkig.
13 jong young adjective Hij is nog jong en vol energie.
14 oud old adjective Dat gebouw is heel oud en historisch.
15 lief dear adjective Hij is een lief persoon die altijd helpt.
16 aardig nice adjective Hij is altijd aardig tegen iedereen.
17 gevoeln. feeling noun Ik heb een goed gevoel over deze beslissing.
18 liefdec. love noun liefde is belangrijk in elke relatie.
19 stom stupid adjective Dat was een stom idee om te doen.
20 gelukc. luck noun Ze heeft veel geluk gehad in haar leven.
21 kwaad angry adjective Hij was kwaad omdat hij niet werd uitgenodigd.
22 haatc. hate noun Zij voelt haat voor onrechtvaardigheid.
23 plezierc. pleasure noun Het is altijd plezier om met vrienden te zijn.
24 persoonlijk personal adjective Dit is mijn persoonlijk mening over het onderwerp.
25 fantastisch fantastic adjective Het concert was fantastisch en iedereen genoot.
26 trots proud adjective Ze is trots op haar prestaties.
27 vreselijk terrible adjective Het weer is vreselijk vandaag, het regent de hele tijd.
28 genieten to enjoy verb We gaan genieten van de zon op het strand.
29 huilen to cry verb Soms moet je gewoon huilen om je gevoelens te uiten.
30 hopen to hope verb We moeten hopen op beter weer.
31 droomc. dream noun Iedere nacht heb ik een spannende droom over avontuur.
32 verliefd in love adjective Hij is zo verliefd op haar, dat hij altijd glimlacht.
33 beloofd promised adjective Hij heeft een beloofd cadeau voor haar gekocht.
34 ruziec. argument noun Ze hebben een ruzie over wie de schuld is.
35 grapjec. joke noun Dat was een leuk grapje, ik moest erom lachen.
36 bezorgd worried adjective Ze is bezorgd over de gezondheid van haar hond.
37 angstc. fear noun Hij voelde angst toen hij alleen in het donker was.
38 verrassingc. surprise noun De verjaardag was een grote verrassing voor haar.
39 gestoord disturbed adjective Hij is een beetje gestoord vandaag.
40 meningc. opinion noun Wat is jouw mening over dit onderwerp?
41 jaloers jealous adjective Ze is jaloers op haar zus omdat ze een nieuwe auto heeft.
42 vriendelijk friendly adjective Hij is altijd vriendelijk tegen zijn buren.
43 nerveus nervous adjective Ze was nerveus voor haar presentatie.
44 eenzaam lonely adjective Hij voelde zich eenzaam in de grote stad.
45 dankbaar grateful adjective Ik ben dankbaar voor alles wat je hebt gedaan.
46 vrolijk cheerful adjective Ze was altijd zo vrolijk en maakte iedereen aan het lachen.
47 tevreden satisfied adjective Ze was tevreden met het resultaat van haar examen.
48 zielig pitiful adjective Het is zielig om alleen te zijn.
49 schamen to be ashamed verb Je hoeft je niet te schamen voor je fouten.
50 dapper brave adjective Hij was dapper genoeg om te helpen.
51 vreesc. fear noun Hij heeft een grote vrees voor hoogtes.
52 verdacht suspicious adjective Hij had een verdacht gedrag tijdens het gesprek.
53 positief positive adjective Hij heeft een positief houding tegenover het leven.
54 spannend exciting adjective De film was zo spannend dat ik op het puntje van mijn stoel zat.
55 verlangenc. desire noun Ik heb een groot verlangen naar avontuur en nieuwe ervaringen.
56 geduldc. patience noun Je hebt veel geduld nodig om te leren.
57 gevoelig sensitive adjective Hij is erg gevoelig voor kritiek en kan snel gekwetst zijn.
58 woedec. rage noun Zijn woede was duidelijk te zien op zijn gezicht.
59 emotioneel emotional adjective Het afscheid was erg emotioneel voor iedereen.
60 verrast surprised adjective Ze was verrast door het onverwachte cadeau.
61 haten to hate verb Sommige mensen haten het om in de regen te lopen.
62 opgewonden excited adjective De kinderen zijn opgewonden voor het schoolreisje.
63 wanhopig desperate adjective Ze voelde zich wanhopig toen ze het nieuws hoorde.
64 hartelijk cordial adjective Ze gaf me een hartelijk welkom toen ik aankwam.
65 teleurgesteld disappointed adjective Hij was teleurgesteld omdat de film niet zo goed was.
66 medelijdenc. compassion noun Ze voelde medelijden met de slachtoffers van de ramp.
67 verdrietc. sorrow noun Hij voelde veel verdriet na het verlies van zijn huisdier.
68 triest sad adjective Het was een triest gezicht toen hij vertrok.
69 verbaasd surprised adjective Zij keek verbaasd naar de grote verrassing.
70 geintjec. joke noun Dat was maar een geintje, ik meen het niet.
71 hekelc. aversion noun Ik heb een hekel aan onbeleefde mensen.
72 ongerust worried adjective Ik ben ongerust over de gezondheid van mijn vriend.
73 dwaas foolish adjective Het is dwaas om zo'n risico te nemen.
74 verdrietig sad adjective Ze voelde zich verdrietig na het slechte nieuws.
75 flauw silly adjective Dat was een flauw grap, ik vond het niet leuk.
76 schandec. shame noun Het is een schande dat hij zoiets heeft gedaan.
77 ongelukkig unhappy adjective Hij voelde zich ongelukkig omdat hij alleen was.
78 lustc. desire noun Hij heeft een grote lust voor chocolade.
79 stemmingc. mood noun De stemming op het feest was erg vrolijk en gezellig.
80 moedig brave adjective Ze was moedig genoeg om te spreken voor de groep.
81 gekwetst hurt adjective Hij voelde zich gekwetst na de harde woorden.
82 succesvol successful adjective Ze is succesvol in haar carrière als kunstenaar.
83 ideaal ideal adjective Dit is de ideaal plek voor een picknick.
84 houdingc. attitude noun Haar houding was zelfverzekerd tijdens de presentatie.
85 pechc. bad luck noun Hij had pech met zijn auto en kon niet verder rijden.
86 zeuren to whine verb Ik wil niet zeuren over mijn problemen.
87 brave brave adjective De brave hond luisterde goed naar zijn baas.
88 vervloekt cursed adjective Het lijkt alsof het huis vervloekt is.
89 spanningc. tension noun De spanning in de film was om te snijden.
90 stressc. stress noun Te veel werk kan leiden tot stress.
91 ervaren to experience verb Het is goed om te ervaren in verschillende situaties.
92 stout naughty adjective Hij is een stout kind.
93 karakterc. character noun Zijn karakter is erg vriendelijk en behulpzaam.
94 kwetsbaar vulnerable adjective Kinderen zijn vaak kwetsbaar in nieuwe situaties.
95 verrassen to surprise verb Ik wil mijn vriend verrassen met een cadeau.
96 lafaardc. coward noun Hij noemde zichzelf geen lafaard, maar hij durfde niet te springen.
97 zenuwachtig nervous adjective Ze was zenuwachtig voor haar examen.
98 humorc. humor noun Ze heeft een geweldige humor en maakt iedereen aan het lachen.
99 tof cool adjective Dat is een echt tof idee!
100 complimentc. compliment noun Ze gaf hem een compliment voor zijn mooie presentatie.
101 doodsbang terrified adjective Ze was doodsbang toen ze het geluid hoorde in het donker.
102 charmant charming adjective Hij is een charmant persoon die iedereen kan overtuigen.
103 beleefd polite adjective Hij is altijd beleefd tegen zijn leraren.
104 gespannen tense adjective De sfeer in de kamer was gespannen voor de grote aankondiging.
105 glimlachc. smile noun Haar glimlach maakte de dag meteen beter.
106 verward confused adjective Hij was verward na het horen van het nieuws.
107 verlegen shy adjective Ze is altijd zo verlegen als ze voor een groep moet spreken.
108 egoïstisch selfish adjective Het is egoïstisch om alleen aan jezelf te denken.
109 geniaal genius adjective Zijn idee was echt geniaal en vernieuwend.
110 enthousiast enthusiastic adjective Ze is enthousiast over haar nieuwe baan en kan niet wachten.
111 opwindend exciting adjective Het was een opwindend avontuur in het pretpark.
112 goedmaken to make up verb Ze willen hun ruzie goedmaken met een gesprek.
113 tragisch tragic adjective Het verhaal had een tragisch einde.
114 vrezen to fear verb Veel mensen vrezen voor een tweede golf van de ziekte.
115 vreugdec. joy noun De kinderen sprongen van vreugde toen ze het cadeau zagen.
116 nuchter sober adjective Hij blijft altijd nuchter in moeilijke situaties.
117 beu fed up adjective Ik ben beu om steeds te wachten.
118 troostc. comfort noun Een goede vriend kan veel troost bieden in moeilijke tijden.
119 geobsedeerd obsessed adjective Hij is geobsedeerd door zijn nieuwe hobby.
120 hopeloos hopeless adjective De situatie leek hopeloos en niemand wist wat te doen.
121 beledigd offended adjective Ze voelde zich beledigd door zijn opmerking.
122 vernederen to humiliate verb Het is niet goed om iemand te vernederen voor anderen.
123 gezegend blessed adjective Ze voelde zich gezegend met haar familie.
124 onbeleefd rude adjective Het is onbeleefd om te praten terwijl iemand anders spreekt.
125 verbazen to amaze verb Het kan je verbazen hoe snel de tijd vliegt.
126 martelen to torture verb Het is niet goed om iemand te martelen.
127 schokc. shock noun De schok van het nieuws was groot voor iedereen.
128 verslaafd addicted adjective Hij is verslaafd aan zijn telefoon.
129 flirten to flirt verb Ze houdt ervan om te flirten met nieuwe mensen.
130 leedc. suffering noun Hij voelde veel leed na het verlies.
131 depressief depressed adjective Hij voelt zich soms depressief zonder reden.
132 shockc. shock noun De nieuwsbericht bracht iedereen in shock.
133 afgeleid distracted adjective Ik was afgeleid door het lawaai buiten.
134 paranoïde paranoid adjective Hij is altijd een beetje paranoïde over wat anderen denken.
135 ellendig miserable adjective Het weer is vandaag echt ellendig, ik wil niet naar buiten.
136 gênant embarrassing adjective Het was gênant om te vallen voor iedereen.
137 irritant irritating adjective Het geluid van de sirene is irritant.
138 persoonlijkheidc. personality noun Haar persoonlijkheid maakt haar erg aantrekkelijk.
139 intiem intimate adjective Ze hebben een intiem gesprek over hun gevoelens.
140 schrikc. fright noun Ze kreeg een grote schrik toen ze de hond zag.
141 hongerig hungry adjective Na het sporten voel ik me altijd hongerig en wil ik eten.
142 spijtig regrettable adjective Het is spijtig dat je niet kon komen.
143 onzeker uncertain adjective Ze voelde zich onzeker over haar presentatie voor de klas.
144 daten to date verb Ze willen graag daten voordat ze een relatie beginnen.
145 vijandig hostile adjective De vijandig houding maakte de situatie moeilijk.
146 geschokt shocked adjective Ze was geschokt door het nieuws dat ze hoorde.
147 droevig sad adjective Hij voelde zich droevig na het slechte nieuws over zijn vriend.
148 gilc. scream noun Een gil weerklonk in het stille bos.
149 boffen to be lucky verb Als je hard werkt, kun je echt boffen.
150 bescheiden modest adjective Hij is bescheiden over zijn prestaties en praat er niet graag over.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

What's the difference between blij and gelukkig?

Both are common translations for happy in Dutch. Reviewing them inside full example sentences, rather than as single words, helps you see how each one is used.

Why is gevoel neuter (het) while liefde is common (de)?

Dutch nouns are either common (de) or neuter (het), and the gender usually can't be predicted from the meaning - gevoel takes het, while liefde and haat take de, so it's best to learn each noun together with its article.

What does arm mean in this list?

Here arm is the adjective meaning poor. Let the surrounding sentence guide you: references to money or wealth point to this reading.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password