Dutch Family & People Vocabulary

Family and people words are among the first vocabulary you need in Dutch, and also some of the trickiest, because grammatical gender doesn't always follow logic. This list covers core relations like vader, moeder, broer and zus, everyday people terms like man, vrouw and persoon, and the informal words Dutch speakers use at home, such as papa, mama and pa.

Each entry comes with its gender, so you can see at a glance whether a word takes de or het, plus an example sentence showing it in context. Learn them with spaced repetition and you'll stop hesitating over basic words like vriend or familie in real conversation.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Family & People Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 manc. man noun De man liep snel naar huis.
2 vrouwc. woman noun Mijn vrouw is erg lief.
3 vaderc. father noun Mijn vader houdt van vissen.
4 vriendc. friend noun Hij is mijn beste vriend sinds de basisschool.
5 jongenc. boy noun Die jongen speelt graag voetbal.
6 moederc. mother noun Mijn moeder maakt de beste soep.
7 meisjen. girl noun Het meisje speelt graag in de tuin.
8 meneerc. mister noun De meneer helpt ons met de vragen.
9 familiec. family noun Mijn familie is heel belangrijk voor mij.
10 zoonc. son noun Mijn zoon speelt graag buiten.
11 broerc. brother noun Mijn broer speelt graag voetbal.
12 dochterc. daughter noun Mijn dochter houdt van tekenen en schilderen.
13 babyc. baby noun De baby slaapt rustig in de wieg.
14 papac. dad noun Mijn papa maakt het beste eten.
15 mevrouwc. madam noun mevrouw Jansen is mijn lerares.
16 vriendinc. girlfriend noun Mijn vriendin komt morgen op bezoek.
17 mamac. mom noun Mijn mama maakt de beste soep.
18 mamc. mom noun Mijn mam maakt de beste koekjes.
19 zusc. sister noun Mijn zus is jarig vandaag.
20 trouwen to marry verb Ze willen volgend jaar trouwen in de zomer.
21 ventc. guy noun Die vent is altijd vrolijk en vriendelijk.
22 persoonc. person noun Elke persoon heeft zijn eigen verhaal.
23 lieverdc. dear noun Hij noemt haar altijd lieverd als hij haar ziet.
24 pac. dad noun Mijn pa helpt me altijd met mijn huiswerk.
25 getrouwd married adjective Zij zijn al tien jaar getrouwd.
26 relatiec. relationship noun Ze hebben een goede relatie met elkaar.
27 schatjec. darling noun Hij noemt zijn hond altijd schatje.
28 oomc. uncle noun Mijn oom komt morgen op bezoek.
29 partnerc. partner noun Mijn partner en ik gaan samen op vakantie.
30 gezinc. family noun Mijn gezin is heel belangrijk voor mij.
31 huwelijkc. marriage noun Hun huwelijk was een prachtige gebeurtenis.
32 zusterc. sister noun Mijn zuster werkt in het ziekenhuis.
33 omac. grandmother noun Mijn oma maakt de beste koekjes.
34 liefjec. sweetheart noun Mijn liefje heeft een verrassing voor me voorbereid.
35 tantec. aunt noun Mijn tante komt op bezoek dit weekend.
36 lidc. member noun Hij is een lid van de vereniging.
37 koninginc. queen noun De koningin bezocht het dorp voor een speciale gelegenheid.
38 opac. grandfather noun Mijn opa vertelt altijd leuke verhalen.
39 neefc. nephew noun Mijn neef komt morgen op bezoek.
40 echtgenootc. husband noun Mijn echtgenoot helpt me altijd met mijn werk.
41 knulc. guy noun Die knul speelt graag voetbal in het park.
42 maatjec. buddy noun Zij is mijn beste maatje en we doen alles samen.
43 prinsc. prince noun De prins woont in een groot kasteel.
44 vadersc. fathers noun De vaders van de kinderen zijn hier.
45 liefste dearest adjective Je bent mijn liefste vriend.
46 verloofdec. fiancé noun Hij heeft zijn verloofde meegenomen naar het feest.
47 vriendschapc. friendship noun Hun vriendschap is sterker dan ooit.
48 jeugdc. youth noun In mijn jeugd speelde ik vaak buiten met vrienden.
49 vrouwelijk female adjective De vrouwelijk dieren zijn vaak kleurrijker.
50 makkerc. mate noun Hij is mijn beste makker en we doen alles samen.
51 broertjec. little brother noun Mijn broertje houdt van voetbal en speelt elke zaterdag.
52 mensheidc. humanity noun De toekomst van de mensheid hangt af van onze keuzes.
53 opvoeden to raise verb Het is belangrijk om kinderen goed te opvoeden.
54 tienerc. teenager noun Een tiener heeft vaak veel vragen over het leven.
55 jongemanc. young man noun De jongeman liep snel naar de bus.
56 geboortec. birth noun De geboorte van de baby was een groot feest.
57 bruidc. bride noun De bruid droeg een prachtige witte jurk.
58 grootvaderc. grandfather noun Mijn grootvader vertelt altijd spannende verhalen.
59 tweelingc. twin noun Mijn zus heeft een tweeling van twee jongens.
60 kindjen. little child noun Het kindje slaapt rustig in zijn bed.
61 jongetjen. little boy noun Het jongetje speelt graag buiten met zijn vrienden.
62 weduwec. widow noun De weduwe woont alleen in een klein huis.
63 verloofd engaged adjective Ze zijn al een jaar verloofd en plannen hun bruiloft.
64 minnaarc. lover noun Ze had een geheime minnaar die niemand kende.
65 koppelc. couple noun Het koppel liep hand in hand door het park.
66 vrijgezelc. bachelor noun Hij is een vrijgezel en geniet van zijn vrijheid.
67 buurmanc. neighbor (male) noun Onze buurman helpt ons met de tuin.
68 nichtjec. niece noun Mijn nichtje komt morgen op bezoek.
69 zonenc. sons noun Hij heeft twee zonen die graag voetballen.
70 jongedamec. young lady noun De jongedame droeg een mooie jurk naar het feest.
71 nonc. nun noun De non gaf ons les over de geschiedenis.
72 achternaamc. surname noun Wat is jouw achternaam en waar komt het vandaan?
73 voorouderc. ancestors noun Mijn voorouder kwamen oorspronkelijk uit Frankrijk.
74 oppasc. babysitter noun De oppas komt vanavond om op de kinderen te passen.
75 engelsmanc. englishman noun Hij is een echte engelsman met een mooie accent.
76 huisdierc. pet noun Mijn favoriete huisdier is een hond.
77 stamc. tribe noun De stam heeft een rijke geschiedenis.
78 kleinzoonc. grandson noun Mijn kleinzoon speelt graag met zijn vrienden.
79 ex-vrouwc. ex-wife noun Mijn ex-vrouw woont nu in een andere stad.
80 kamergenootc. roommate noun Mijn kamergenoot is erg vriendelijk en behulpzaam.
81 luierc. diapers noun De baby heeft een schone luier nodig.
82 pappiec. daddy noun Het pappie speelt graag met zijn kinderen.
83 buddyc. buddy noun Hij is mijn beste buddy sinds de basisschool.
84 jongerec. younger person noun De jongere heeft veel energie en ideeën.
85 gastheerc. host noun De gastheer verwelkomde iedereen met een glimlach.
86 vrouwec. lady noun De vrouwe van het kasteel was zeer invloedrijk.
87 moslimc. muslim noun Een moslim volgt de leerstellingen van de islam.
88 betrekkingc. relation noun Hij heeft een goede betrekking met zijn collega's.
89 trouwdagc. wedding day noun Hun trouwdag was een prachtige en onvergetelijke gebeurtenis.
90 kidc. kid noun Dat kid kan echt goed tekenen voor zijn leeftijd.
91 echtgenotec. wife noun Zijn echtgenote steunde hem in moeilijke tijden.
92 geliefd beloved adjective Zij is een geliefd lerares op school.
93 voogdijc. guardianship noun De voogdij over het kind werd aan de grootouders gegeven.
94 neefjec. little cousin noun Mijn neefje komt morgen op bezoek.
95 geadopteerd adopted adjective Hij is als kind geadopteerd door een liefdevol gezin.
96 kleindochterc. granddaughter noun Mijn kleindochter komt dit weekend op bezoek.
97 stiefvaderc. stepfather noun Mijn stiefvader is erg vriendelijk en helpt me vaak.
98 buurvrouwc. female neighbor noun Mijn buurvrouw helpt me vaak met de boodschappen.
99 adoptiec. adoption noun De adoptie van het kind was een grote stap voor hen.
100 bruidegomc. groom noun De bruidegom wachtte nervos op zijn bruid.
101 minnaresc. mistress noun Hij heeft een geheim dat alleen zijn minnares kent.
102 reüniec. reunion noun De reünie van de klas is volgende maand.
103 ex-manc. ex-husband noun Haar ex-man woont nu in een andere stad.
104 clanc. clan noun De clan komt samen voor een grote bijeenkomst.
105 zwagerc. brother-in-law noun Mijn zwager is een geweldige kok.
106 bruidsmeisjec. bridesmaid noun Het bruidsmeisje droeg een prachtige jurk tijdens de bruiloft.
107 trouwringc. wedding ring noun Ze droeg haar trouwring met trots op haar vinger.
108 nannyc. nanny noun De nanny zorgt voor de kinderen terwijl de ouders werken.
109 gastvrijheidc. hospitality noun De gastvrijheid van de mensen hier is geweldig.
110 meesteresc. mistress noun De meesteres gaf ons veel nuttige tips.
111 opvoedingc. upbringing noun Een goede opvoeding is essentieel voor de ontwikkeling van kinderen.
112 gebruikerc. user noun Elke gebruiker moet zich registreren om toegang te krijgen tot de website.
113 dochtertjec. little daughter noun Haar dochtertje speelt graag in de tuin.
114 grootoudersc. grandparents noun Mijn grootouders wonen in een klein dorp.
115 babysitterc. babysitter noun De babysitter komt vanavond om op de kinderen te passen.
116 stiefmoederc. stepmother noun Zijn stiefmoeder is erg vriendelijk en zorgzaam.
117 schoonmoederc. mother-in-law noun Mijn schoonmoeder komt morgen op bezoek.
118 kindertijdc. childhood noun Haar kindertijd was vol avontuur en plezier.
119 voogdc. guardian noun Hij is de voogd van het kind sinds de ouders weg zijn.
120 hulpjec. helper noun Het hulpje hielp de leraar met de voorbereidingen.
121 schoonzoonc. son-in-law noun Mijn dochter heeft een geweldige schoonzoon die ons vaak bezoekt.
122 ex-vriendinc. ex-girlfriend noun Hij sprak nog steeds met zijn ex-vriendin over oude tijden.
123 vrijgezellenfeestc. bachelor party noun Hij organiseert een groot vrijgezellenfeest voor zijn vriend.
124 kinderbeschermingc. child protection noun De kinderbescherming zorgt voor het welzijn van kinderen.
125 schoonvaderc. father-in-law noun Mijn schoonvader is een geweldige kok.
126 gastvrouwc. hostess noun De gastvrouw verwelkomt alle bezoekers met een glimlach.
127 ouderlijk parental adjective Het ouderlijk huis is een belangrijke plek voor velen.
128 huisvrouwc. housewife noun Mijn moeder is een huisvrouw en zorgt voor het huishouden.
129 pleeggezinc. foster family noun Ze groeide op in een pleeggezin na haar moeilijke jeugd.
130 dierbarec. loved ones noun Hij gaf zijn dierbare een mooi cadeau voor haar verjaardag.
131 daddyc. daddy noun Mijn daddy maakt de beste pannenkoeken.
132 privélevenc. private life noun Hij houdt zijn privéleven graag buiten de schijnwerpers.
133 peetvaderc. godfather noun De peetvader van de baby was ook zijn beste vriend.
134 schoonzusc. sister-in-law noun Mijn schoonzus is een geweldige kok.
135 engeltjec. little angel noun Ze heeft een klein engeltje als huisdier.
136 ex-vriendc. ex-boyfriend noun Ze sprak met haar ex-vriend op het feest.
137 maîtressec. mistress noun Hij heeft een maîtresse die hij geheim houdt.
138 huwelijksnachtc. wedding night noun Hun huwelijksnacht was een onvergetelijke ervaring.
139 meisjesnaamc. maiden name noun Haar meisjesnaam is Anna, maar ze heet nu Maria.
140 familiebedrijfc. family business noun Het familiebedrijf bestaat al drie generaties.
141 verjaardagsfeestjec. birthday party noun We organiseren een groot verjaardagsfeestje voor haar tiende verjaardag.
142 mejuffrouwc. miss noun De mejuffrouw helpt de leerlingen met hun huiswerk.
143 echtpaarc. couple noun Het echtpaar viert hun vijftigste huwelijksverjaardag.
144 ouderschapc. parenthood noun ouderschap kan zowel uitdagend als belonend zijn.
145 weerzienc. reunion noun Het weerzien met oude vrienden was erg emotioneel.
146 babac. baba noun De baba sliep rustig in zijn wieg.
147 tweelingbroerc. twin brother noun Mijn tweelingbroer en ik zijn altijd samen geweest.
148 voorvaderc. ancestors noun Mijn voorvader kwam uit een klein dorp in Nederland.
149 overgrootvaderc. great-grandfather noun Mijn overgrootvader kwam uit een ander land.
150 moppiec. little darling noun Dat kleine moppie speelt graag in de tuin.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

Why is 'meisje' (girl) a het-word if it refers to a female person?

In Dutch, grammatical gender and natural gender don't always match. meisje is neuter because it has the -je diminutive ending, and nouns with that ending take het, regardless of who or what they refer to.

What's the difference between papa, pa, mama and mam?

They're informal variants for the same relations: papa and pa both mean dad, while mama and mam both mean mom. Which form a family uses is largely a matter of personal or regional preference, so learn one of each actively and simply recognise the others.

What's the best way to practise Family & People vocabulary with Vocab Voyage?

Type the Dutch word for each English prompt and let spaced repetition bring words like broer, dochter or getrouwd back just before you'd normally forget them. Sign up free with your email address and review a little every day.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Money & Finance vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password