Dutch Money & Finance Vocabulary

Talking about money in Dutch means mixing everyday words like geld, betalen and rekening with the more formal terms you meet at the bank or the tax office, such as belasting, verzekering and financieel. This list covers the vocabulary you actually need to open a bank account, check an invoice, or understand why your huur went up again.

Whether you are building survival Dutch or preparing for a job interview where financieel topics come up, this themed set gives you a practical foundation. Learn the words in context and terms like aandeel, winst and pensioen stop feeling abstract and start feeling usable.

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password

Dutch Money & Finance Vocabulary: the list

#DutchEnglishTypeExample
1 geldc. money noun Hij heeft niet genoeg geld om te kopen.
2 betalen to pay verb Ik moet de rekening betalen.
3 dollarc. dollar noun Een dollar is nu veel waard.
4 schuldc. debt noun Ik heb geen schuld aan jou.
5 verdienen to earn verb Je moet hard werken om geld te verdienen.
6 rijk rich adjective Ze komt uit een rijk familie.
7 bankc. bank noun Ik zit op de bank en lees een boek.
8 goudc. gold noun Ze droeg een ketting van goud om haar hals.
9 prijsc. price noun De prijs van het boek is erg hoog.
10 kostc. cost noun De kost van het diner was hoger dan verwacht.
11 kostenc. costs noun De kosten van de reis zijn hoger dan verwacht.
12 rekeningc. bill noun Ik moet de rekening betalen voor het diner.
13 lenen to borrow verb Ik wil een boek lenen van de bibliotheek.
14 pensioenn. pension noun Ze kijkt uit naar haar pensioen na jarenlang werken.
15 huurc. rent noun De huur van mijn appartement is elke maand te betalen.
16 winstc. profit noun De winst van het bedrijf is dit jaar gestegen.
17 aandeelc. shares noun Hij heeft een aandeel in het bedrijf gekocht.
18 financieel financial adjective Hij heeft financieel advies nodig voor zijn bedrijf.
19 veroorloven to afford verb Ik kan het me niet veroorloven om een nieuwe auto te kopen.
20 verzekeringc. insurance noun Hij heeft een goede verzekering voor zijn auto.
21 besteden to spend verb Ik wil mijn tijd besteden aan leren en studeren.
22 portemonneec. wallet noun Ik heb mijn portemonnee vergeten thuis, dus ik kan niet betalen.
23 belastingc. tax noun Iedereen moet belasting betalen op zijn inkomen.
24 euroc. euro noun Dit kost vijftig euro in de winkel.
25 creditcardc. credit card noun Ik betaal met mijn creditcard in de winkel.
26 muntc. coin noun Ik heb een oude munt gevonden in de lade.
27 loonn. wage noun Hij ontvangt zijn loon aan het einde van de maand.
28 fortuinn. fortune noun Hij heeft een groot fortuin gewonnen in de loterij.
29 leningc. loan noun Ze heeft een lening nodig om een huis te kopen.
30 betalingc. payment noun De betaling moet voor het einde van de maand gedaan worden.
31 salarisn. salary noun Haar salaris wordt elke maand op de 25e betaald.
32 bodc. bid noun Hij deed een bod op het huis dat te koop stond.
33 fooic. tip noun Vergeet niet om een fooi achter te laten voor de ober.
34 investeringc. investment noun Deze investering zal ons veel opleveren.
35 economiec. economy noun De economie groeit elk jaar.
36 cashc. cash noun Ik heb geen cash, alleen mijn bankpas.
37 fondsc. fund noun Het fonds ondersteunt lokale projecten en initiatieven.
38 financiƫnc. finances noun Het is belangrijk om je financiƫn goed te beheren.
39 rijkdomc. wealth noun Zijn rijkdom komt van hard werken.
40 budgetc. budget noun We moeten ons budget goed plannen voor de vakantie.
41 inkomenc. income noun Zijn inkomen is gestegen sinds hij een nieuwe baan heeft.
42 bankrekeningc. bank account noun Ik heb een nieuwe bankrekening geopend bij de bank.
43 garantiec. guarantee noun Je krijgt een garantie van twee jaar op dit product.
44 terugbetalen to repay verb Ik moet hem nog terugbetalen voor het diner.
45 bonusc. bonus noun Hij kreeg een bonus voor zijn goede prestaties.
46 hypotheekc. mortgage noun Ze hebben een hypotheek afgesloten om hun huis te kopen.
47 kredietn. credit noun Hij vroeg om krediet bij de bank voor zijn nieuwe auto.
48 transactiec. transaction noun De transactie werd snel afgerond.
49 penningc. coin noun Hij vond een oude penning op straat.
50 financieren to finance verb We moeten een plan financieren voor het project.
51 uitgavec. expenses noun Deze maand was mijn grootste uitgave de huur.
52 tegoedc. credit noun Hij heeft nog tegoed op zijn telefoon.
53 voorschotc. advance noun Ik heb een voorschot nodig voor mijn nieuwe project.
54 spaargeldc. savings noun Hij heeft zijn spaargeld gebruikt om een auto te kopen.
55 kleingeldn. small change noun Ik heb wat kleingeld nodig voor de automaat.
56 creditc. credit noun Hij kreeg credit voor zijn bijdrage aan het project.
57 miljonairc. millionaire noun Hij werd een miljonair door zijn slimme investeringen.
58 tolc. toll noun Je moet tol betalen om de brug over te steken.
59 afbetalen to pay off verb Ik moet mijn lening afbetalen voordat ik kan verhuizen.
60 vergoedingc. compensation noun Hij vroeg om een vergoeding voor zijn extra werk.
61 alimentatiec. alimony noun Hij betaalt alimentatie aan zijn ex-vrouw voor de kinderen.
62 kapitaalc. capital noun Het bedrijf heeft veel kapitaal nodig om te groeien.
63 aanbetalingc. down payment noun Je moet een aanbetaling doen om de reservering te bevestigen.
64 premiec. premium noun Hij ontving een premie voor zijn goede werk.
65 levensverzekeringc. life insurance noun Het is belangrijk om een goede levensverzekering te hebben.
66 financieringc. financing noun De financiering voor het project is goedgekeurd.
67 compensatiec. compensation noun Hij vroeg om compensatie voor de schade aan zijn auto.
68 overnamec. takeover noun De overname van het bedrijf was een groot nieuwsitem.
69 miljardairc. billionaire noun De miljardair doneerde veel geld aan goede doelen.
70 obligatiec. bonds noun Hij investeert in een obligatie voor extra inkomen.
71 bankroetc. bankruptcy noun Het bedrijf ging failliet en verklaarde bankroet.
72 zakgeldc. pocket money noun Hij krijgt elke week zakgeld van zijn ouders.
73 onderpandc. collateral noun Hij gaf zijn auto als onderpand voor de lening.
74 omzetc. turnover noun De omzet van het bedrijf is dit jaar gestegen.
75 borgsomc. deposit noun Je moet een borgsom betalen om het appartement te huren.
76 uitkeringc. benefit noun Hij ontvangt een uitkering van de overheid.
77 yenc. yen noun De yen is de munteenheid van Japan.
78 kredietkaartc. credit card noun Ik gebruik mijn kredietkaart voor online aankopen.
79 activac. assets noun De onderneming heeft veel waardevolle activa.
80 schadevergoedingc. compensation noun Ze vroeg een schadevergoeding na het ongeluk met de auto.
81 subsidiec. subsidy noun De organisatie kreeg subsidie voor hun project.
82 bezuinigingc. cutbacks noun De regering kondigde een bezuiniging aan voor volgend jaar.
83 toelagec. allowance noun Ze ontvangt een toelage voor haar studie.
84 yuanc. yuan noun De yuan is de munteenheid van China.
85 factuurc. invoice noun Ik heb de factuur voor de elektriciteit nog niet betaald.
86 bekeuringc. fine noun Ze kreeg een bekeuring voor te hard rijden.
87 uitbetaald paid out adjective Hij is eindelijk uitbetaald voor zijn uren.
88 geldprobleemc. money problems noun Hij heeft een groot geldprobleem en zoekt hulp.
89 belastinggeldc. tax money noun Het belastinggeld wordt gebruikt voor openbare diensten.
90 begrotingc. budget noun De begroting voor het project is goedgekeurd.
91 geldautomaatc. cash machine noun Ik ga naar de geldautomaat om geld te pinnen.
92 valutac. currency noun De euro is een populaire valuta in Europa.

Gender: m. masculine · f. feminine · n. neuter · c. common

Tips

Frequently asked questions

Which words in this list are het-words rather than de-words?

Pensioen is a neuter noun: het pensioen. For every other noun, check the gender label given with the entry and memorise the article along with the word, since gender cannot be guessed from the meaning.

What is the difference between kost and kosten?

Kosten is the plural and the normal way to talk about costs or expenses, while kost is the singular and appears mostly in fixed expressions. In practice you will use kosten far more often.

How should I practise Dutch money and finance vocabulary effectively?

Use spaced repetition and type the full Dutch answer instead of merely recognising it, and pair nouns with their typical verbs, such as geld verdienen, geld lenen or belasting betalen, so you learn natural combinations rather than isolated words.

More Dutch

Learn Dutch · Words · Nouns · Verbs · Adjectives · Adverbs · Catalan vs Dutch: nearly identical words · Czech vs Dutch: nearly identical words · Danish vs Dutch: nearly identical words · How many Dutch words do you need? · Dutch words you already know · 200 most common common Dutch nouns · 200 most common neuter Dutch nouns · Dutch City & Places vocabulary · Dutch Talking & Communication vocabulary · Dutch Art & Culture vocabulary · Dutch Describing Things vocabulary · Dutch Emotions & Personality vocabulary · Dutch Family & People vocabulary · Dutch Food & Drink vocabulary · Dutch Health & the Body vocabulary · Dutch Home & Daily Life vocabulary · Dutch Nature & Animals vocabulary · Dutch Numbers & Quantities vocabulary · Dutch School & Learning vocabulary · Dutch Shopping & Clothes vocabulary · Dutch Politics, Law & Society vocabulary · Dutch Sport & Leisure vocabulary · Dutch Technology & Media vocabulary · Dutch Time, Weather & Seasons vocabulary · Dutch Travel & Transport vocabulary · Dutch Work & Business vocabulary · Dutch vs German: nearly identical words · Dutch vs Spanish: nearly identical words · Dutch vs Finnish: nearly identical words · Dutch vs French: nearly identical words

Start Learning Dutch Free

Free forever · No card · No password